Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Graspieper
Graspieper | Anthus pratensis
Meadow Pipit | Bisbita pratense
De graspieper is een kleine, gestreepte zangvogel van open, boomloos land die in dit gidsgebied alleen in Zuidoost-Groenland broedt. Het is de westelijke rand van een areaal dat verder in IJsland en Europa ligt; op het vasteland van Noord-Amerika is hij een uitzonderlijke gast.
Geluid
De roep is een dun, hoog tsiep, meestal twee- of driemaal snel achter elkaar en scherper naarmate de vogel onrustiger wordt. De zang bestaat uit een lange reeks korte, ijle notities die naar het einde toe versnellen en van toon veranderen. Hij draagt die zang voor in een baltsvlucht: het mannetje klimt vanaf de grond of een paaltje schuin omhoog en laat zich daarna met stijve, gespreide vleugels en opgeheven staart weer omlaag zweven, waarbij de notenreeks in een trage triller overgaat.
Opname: Amadeo A. Pombo Eirín — CC BY-SA 4.0 · Terra Chá (near O Barreiro), Lugo, Galicia, Spain · xeno-canto
Herkenning
Bruin van boven met donkere streping op mantel en kruin, vuilwit tot geelbruin van onderen met fijne zwarte streping op borst en flanken. De buitenste staartpennen zijn wit en vallen op bij het opvliegen. De poten zijn bleek roze- tot vleeskleurig, niet donker, en de nagel van de achterteen is lang en nauwelijks gebogen — langer dan de achterteen zelf. De snavel is dun en spits, de kop rond en zonder duidelijke tekening behalve een lichte oogring.
Verwarringssoorten
De Amerikaanse graspieper, de soort die in Noord-Amerika op dezelfde terreinen kan staan, heeft donkere poten, een effener grijsbruine bovenzijde met veel vagere streping en een warmer okerkleurige onderzijde; zijn roep is een scherp tweelettergrepig pi-pit in plaats van het dunne tsiep. De boompieper is groener van tint, heeft een korte, sterk gebogen achternagel en gaat bij verstoring in een boom zitten, wat de graspieper vrijwel nooit doet. De roodkeelpieper heeft in de zomer een roestkleurige keel en in alle kleden een zwaarder gestreepte, contrastrijkere rug.
Leefgebied
Open, laag en boomloos terrein: dwergstruweel en zeggenvelden op de Groenlandse kust, heide, hoogveen, ruig grasland en extensief beweid weiland. Hij foerageert lopend over de grond op insecten en spinnen en gebruikt een steen, paaltje of draad als uitkijkpost. Gesloten bos ontbreekt in zijn terrein volledig; in de winter zakt hij elders in het areaal af naar stoppelvelden, kwelders en oevers.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied loopt van Zuidoost-Groenland en IJsland door West- en Noord-Europa tot even ten oosten van de Oeral; overwinterd wordt in Zuid-Europa, Noord-Afrika en Zuidwest-Azië. De Groenlandse vogels zijn zomervogels: ze arriveren in mei en trekken in augustus en september over de Atlantische Oceaan weg. Buiten Groenland zijn er in Noord-Amerika vrijwel geen aanvaarde waarnemingen, wat de soort in deze gids tot een randverschijning maakt.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In juni op de kustheide van Zuidoost-Groenland is de baltsvlucht de betrouwbaarste ingang: zoek een vogel die vanaf een steen schuin omhoog klimt en zich zwevend laat zakken. Let bij een stilstaande vogel meteen op de pootkleur — bleekroze poten sluiten de Amerikaanse graspieper uit voordat je aan de streping toekomt.
Staat van instandhouding
De soort staat als niet bedreigd te boek, maar de Europese aantallen dalen al decennia; op Frans landbouwland is de afname op zo'n 68 procent geschat. Intensivering van grasland, bemesting, vroeger maaien en het verdwijnen van heide en hoogveen zijn de belangrijkste oorzaken. De Groenlandse populatie is klein en wordt niet systematisch geteld, zodat een trend daar ontbreekt.
Wetenschappelijke naam
Anthus pratensis | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Alauda pratensis, 'leeuwerik van de weide'; omdat ze later in Anthus is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anthus gaat terug op het Latijnse anthus, een kleine vogel van graslanden bij Plinius, en de soortnaam pratensis betekent 'van het weiland'. Het Engelse pipit is klanknabootsend, naar de roep. Het typemateriaal kwam uit Zweden.




