Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Pacifische waterpieper
Pacifische waterpieper | Anthus rubescens
American Pipit | Bisbita norteamericano
Een slanke bruine grondvogel die over kale bodem loopt in plaats van te huppen en daarbij onafgebroken met de staart wipt. Hij broedt op de arctische toendra en hoog boven de boomgrens, en overwintert bij duizenden op akkers, slikplaten en stranden. Wie hem in de winter tegenkomt ziet zelden één vogel: hij komt in losse groepen die bij het opvliegen scherp pip-pit roepen.
Geluid
De roep is een scherp, ijl pip-pit, meestal in de vlucht, en vaak het eerste teken dat er een groep opgaat. De zang is een lange reeks eenvormige, hoge noten, tsjie-die tsjie-die tsjie-die, die in tempo en klank nauwelijks verandert. Zangposten zijn er op de toendra niet, dus stijgt het mannetje tot dertig meter of hoger, zingt in de lucht en laat zich daarna met gespreide staart en opgeheven vleugels weer zakken. In de winter zwijgt hij vrijwel; dan is alleen de vluchtroep te horen.
Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · Colonia Yanashi, San Jerónimo Tlacochahuaya, Oaxaca, Mexico · xeno-canto
Herkenning
Slank, met een dunne, spitse snavel, donkere poten en een vrij lange staart waarvan de witte buitenste veren bij het opvliegen opvallen. In de winter is hij grijsbruin boven met vage streping en vuilwit tot beige onder, met zware bruine strepen op borst en flank. In broedkleed is de kop grijzig, de onderzijde warm okerkleurig en de streping veel fijner of bijna afwezig, het duidelijkst bij de vogels van de Rocky Mountains. Man en vrouw zijn niet uit elkaar te houden, en jonge vogels lijken op het winterkleed. Het gedrag is het beste kenmerk: hij loopt en huppelt niet, en de staart wipt zonder ophouden.
Verwarringssoorten
De prairiepieper (Anthus spragueii) is bleker, schubbig getekend op de rug, heeft lichte poten en een groot licht oog in een bleek gezicht, wipt nauwelijks met de staart en houdt zich schuil in hoog gras. De Siberische pieper (Anthus japonicus), die Alaska en de westkust bereikt, is kouder van tint, zwaarder en zwarter gestreept, en heeft roze poten. De graspieper (Anthus pratensis), een dwaalgast uit Europa, is groener op de rug en heeft een lange achternagel. Verder worden piepers in het veld het vaakst voor gorzen aangezien: die huppelen, hebben een kegelvormige snavel en wippen niet.
Leefgebied
In de broedtijd korte, natte begroeiing op de arctische toendra en boven de boomgrens in het hooggebergte: zeggevelden, sneeuwdalletjes en steenpuin. Buiten de broedtijd juist kaal, vlak land — geploegde akkers, stoppelvelden, graszodenkwekerijen, oevers van rivieren en meren, slikplaten en zandstranden. Hij mijdt alles wat opgaand is: bos, struweel en hoog gras. Sneeuwdek verdraagt hij niet, en zijn winterverspreiding schuift dan ook met de sneeuwgrens mee.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedvogel van Alaska, arctisch Canada, Groenland, Labrador en Newfoundland, en verder zuidwaarts in het hooggebergte tot in Californië, Colorado en Utah. Hij trekt op breed front door het hele werelddeel en overwintert van de zuidelijke Verenigde Staten tot ver in Mexico, waar hij op de hoogvlakte bij duizenden op de akkers zit; een klein aantal haalt Guatemala en El Salvador, te weinig om op de kaart te zetten. Aan de westkust broeden en overwinteren verschillende vogels in dezelfde staten, zodat hij daar het hele jaar aanwezig is. De Europese waterpieper gold tot in de jaren tachtig als dezelfde soort; de scheiding berust op verschil in roep, verenkleed en broedgebied.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In oktober en november is een pas geploegde of net geoogste akker de beste plek: loop de rand langs en let op beweging, want de vogels lopen laag tussen de kluiten en zijn stil tot ze opvliegen. Ze gaan dan roepend gezamenlijk op, draaien een rondje en vallen even verderop weer in. In de zomer moet je ernaartoe klimmen: boven de boomgrens, in de vochtige weiden vlak onder de sneeuwvelden.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) op de Rode Lijst — de beoordeling houdt al rekening met de afsplitsing van de Siberische pieper als eigen soort. Aan de vogels zelf gemeten is hij talrijk maar niet stabiel: de schatting voor de ruim opgevatte soort ligt rond twintig miljoen vogels, met een afname van ongeveer dertig procent sinds 1970. De druk komt van dichtgroeiende bergweiden, drooggelegde overwinteringsgebieden en de verandering van toendra en hooggebergte.
Wetenschappelijke naam
Anthus rubescens | (Tunstall, 1771)
Marmaduke Tunstall beschreef de vogel in 1771 als Alauda rubescens, bij de leeuweriken, in een catalogus van de Britse vogels; hij ging daarbij af op 'de leeuwerik uit Pensilvania' die Pennant en Edwards eerder hadden afgebeeld. Omdat de soort later naar een ander geslacht is verhuisd, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anthus werd in 1805 ingevoerd door Bechstein; anthus is bij Plinius de naam van een klein vogeltje van het grasland. rubescens is Latijn voor 'roodachtig wordend', naar de okerkleurige onderzijde in het broedkleed, en de typelocatie is Pennsylvania.




