Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Siberische pieper

Siberische pieper | Anthus japonicus

Siberian Pipit | Bisbita siberiano

De Siberische pieper is de Aziatische tegenhanger van de Pacifische waterpieper, tot 2024 met die soort als één soort behandeld en sindsdien apart gehouden. In het gidsgebied is hij een gast op de buitenste Aleoeten en de westkust van Alaska, vrijwel altijd te midden van of naast Pacifische waterpiepers.

Siberische pieper (Anthus japonicus)
Foto: Imran Shah — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een tsjiep dat in reeksen wordt gegeven, langer aangehouden en sterker gemoduleerd dan dat van de Pacifische waterpieper — metingen komen uit op ruwweg tachtig milliseconden tegen vijfenzestig, waardoor de roep meer op die van de Europese graspieper lijkt. Dat verschil is in het veld met een geoefend oor te horen en op een geluidsopname vast te leggen; het vormt een van de argumenten waarmee de soort in 2024 is afgesplitst. De zang, een reeks versnellende tsji-notities in een dalende zangvlucht, hoor je in Noord-Amerika niet.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een middelgrote pieper met een grijsbruine, weinig getekende bovenzijde en een ongestreepte stuit. De onderzijde is wit tot vuilwit — niet okerbruin — met zware, zwarte, druppelvormige strepen die tot ver op de buik en langs de flanken in lengterijen doorlopen. Aan weerszijden van de keel staat een dikke, zwarte baardstreep die naar onderen uitwaaiert en in de borststreping overgaat, soms tot een donkere halsband gesloten. De poten zijn helder roze. De witte toppen van de middelste vleugeldekveren zijn smal en sikkelvormig.

Verwarrings­soorten

De Pacifische waterpieper is de enige echte verwarringssoort: die is okerbruin tot grijsbruin van onderen met een bruin gewassen flank, heeft doorgaans donkere poten, een bruine in plaats van zwarte baardstreep met lichte veertjes ertussen, minder en bruiner gestreepte onderdelen, en brede, recht afgesneden witte toppen aan de middelste dekveren. Geen van die kenmerken is op zichzelf sluitend, want beide soorten variëren; de vlucht­roep is de betrouwbaarste aanwijzing. De roodkeelpieper heeft een gestreepte stuit en twee lichte mantelstrepen.

Leefgebied

Broedt in vochtige bergweiden, struweeltoendra en open plekken boven de boomgrens in Siberië en op Kamtsjatka, meestal langs beken en in natte laagten. Buiten het broedseizoen zit hij op korte, natte graslanden, akkerranden, rijstvelden, oevers van rivieren en meren en drooggevallen slikranden. De vogels die West-Alaska bereiken worden gevonden op grindstranden, in laag kustgrasland en op kale plekken bij dorpen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het areaal ligt in Noord- tot Oost-Rusland: van het zuidoosten van het Tajmyr-schiereiland en het West-Siberisch Plateau oostwaarts vanaf de Lena, het gebied van Jakoetsk en het Baikalmeer tot het schiereiland Tsjoekotka, de Commandeurseilanden, Sachalin en de Koerilen. De overwintering ligt van Japan en Korea tot het zuiden en zuidoosten van continentaal Azië, met westelijke gevallen tot Israël en Turkije. In Noord-Amerika verschijnt hij op de westelijkste Aleoeten en langs de noordwestkust van het Alaskaanse vasteland; door de recente afsplitsing is het aantal gevallen nog niet volledig uit oudere waarnemingen te reconstrueren.

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in mei en van eind augustus tot begin oktober op Attu, Shemya of Adak, en loop groepen piepers langs op zoek naar een vogel met witte, zwaar gestreepte onderdelen en helderroze poten. Neem de roep op: dat is voorlopig het enige kenmerk waarmee een geval hard te maken is, want elk afzonderlijk verenkleedkenmerk overlapt met de Pacifische waterpieper.

Staat van instandhouding

Omdat de soort pas in 2024 in de wereldlijsten is opgenomen, is ze door de IUCN nog niet geëvalueerd (NE); de moedersoort werd als niet bedreigd aangemerkt en het areaal van japonicus is uitgestrekt en grotendeels dunbevolkt. Er is geen afzonderlijke telreeks, zodat over de trend niets vaststaat. In Oost-Azië gaat het verlies van natte graslanden en de omzetting van rijstvelden mogelijk ten koste van de overwinteringsplaatsen, maar dat is voor deze soort niet apart gemeten.

Wetenschappelijke naam

Anthus japonicus | Temminck; Schlegel, 1847

Temminck en Schlegel beschreven de vorm in 1847 als Anthus pratensis japonicus, dus als ondersoort van de graspieper, naar een exemplaar uit Japan; omdat de naam binnen Anthus is gebleven, staan auteur en jaartal zonder haakjes. De soortnaam japonicus betekent eenvoudig 'van Japan'. Het geslacht Anthus gaat terug op het Griekse anthos, bij Plinius de naam van een kleine graslandvogel. De vorm werd daarna lange tijd bij de Amerikaanse pieper gerekend, onder de gezamenlijke naam Anthus rubescens; genetisch en akoestisch onderzoek uit 2023 leidde tot de splitsing die de internationale lijsten in 2024 doorvoerden.