Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Roodkeelpieper
Roodkeelpieper | Anthus cervinus
Red-throated Pipit | Bisbita gorgirrojo
De roodkeelpieper is een toendrapieper van het noorden van Eurazië die Noord-Amerika alleen als broedvogel van een klein gebied in West-Alaska bereikt. In zomerkleed is hij de enige pieper van het gidsgebied met een roestrode keel en borst; in de herfst duikt een handvol jonge vogels op langs de kust van Californië.
Geluid
De roep is een lang uitgehaald, hoog en ijl psiiiih, dalend aan het eind en over grote afstand hoorbaar; hij is dunner en langgerekter dan de roep van elke andere pieper in het gebied en vaak het eerste teken dat er een tussen een groep Pacifische waterpiepers zit. De zang wordt gegeven in een zangvlucht die met klimmende vleugelslag begint en met gespreide vleugels dalend eindigt: een reeks droge, snorrende trillers en herhaalde tsjie-notities.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Soppavann, Finland · xeno-canto
Herkenning
In broedkleed zijn keel, gezicht en bovenborst baksteenrood tot roze-oranje, bij het mannetje het diepst en het meest uitgebreid, bij het vrouwtje bleker. De bovenzijde is zwaar zwart gestreept op een bruine ondergrond, met twee lichte lengtestrepen over de mantel; kenmerkend is dat ook de stuit duidelijk gestreept is. De flanken en de borst dragen zware zwarte strepen op een witte tot okerkleurige ondergrond. De poten zijn bleek vleeskleurig. Jonge vogels en wintervogels missen het rood volledig en zijn dan te herkennen aan de gestreepte stuit, de zware streping en de roep.
Verwarringssoorten
De Pacifische waterpieper is effener van boven, heeft een ongestreepte stuit, donkere poten en een veel kortere, harde pipit-roep. De Siberische pieper heeft eveneens een ongestreepte stuit en bleke poten, maar geen twee lichte mantelstrepen. De pechorapieper heeft wel mantelstrepen maar een korte, harde roep en een ongestreepte stuit. Bij herfstvogels zonder rood is de combinatie van gestreepte stuit, zware flankstreping en de lang aangehouden ijle roep het onderscheidende kenmerk.
Leefgebied
Vrij droge, stenige toendra naast pollige zeggenmoerassen en natte laagten, waar hij zijn nest in een polgras of onder een dwergwilg legt. In het Alaskaanse broedgebied blijft hij op de kustvlakten en in de lagere bergtoendra. Op doortrek en in de winter zoekt hij natte, korte graslanden op: kortgeknipte kustweiden, graszodenkwekerijen, rijstvelden, de randen van irrigatiebekkens en drooggevallen moddervlakten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied loopt van Noord-Scandinavië door de Russische toendra tot aan Tsjoekotka en bereikt Noord-Amerika op het Seward-schiereiland en de aangrenzende kust van Noordwest-Alaska. Bijna de hele populatie overwintert in Afrika en Zuid-Azië tot Indonesië en de Filipijnen. In Noord-Amerika verlaat een klein deel het broedgebied in zuidelijke richting langs de Pacifische kust: in oktober verschijnen kleine aantallen, overwegend jonge vogels, aan de kust van Californië, meestal tussen groepen Pacifische waterpiepers.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In juni vind je hem op het Seward-schiereiland langs de Kougarok- en Teller-wegen: rijd langzaam en luister naar de langgerekte roep boven de toendra. In Californië is de tweede helft van oktober de periode; zoek dan groepen Pacifische waterpiepers op graszodenvelden en luister, want de roep verraadt de vogel eerder dan het verenkleed.
Staat van instandhouding
De soort is wereldwijd niet bedreigd (LC) en de populatie wordt op ongeveer twee miljoen vogels geschat, vrijwel volledig in Eurazië. De Amerikaanse broedpopulatie is klein, ligt aan de rand van het areaal en wordt nauwelijks geteld, zodat een trend voor Alaska niet is vast te stellen. In het noorden van Europa is een afname gemeld; de belangrijkste drukfactoren liggen buiten het broedgebied, in het verlies van natte graslanden en oevers in de overwinteringsgebieden.
Wetenschappelijke naam
Anthus cervinus | (Pallas, 1811)
Pallas beschreef de soort in 1811 als Motacilla cervina, naar materiaal van de Kolyma; omdat ze later naar Anthus is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam cervinus is Latijn voor 'hertkleurig', van cervus 'hert', en verwijst naar het roodbruin van keel en borst. Het geslacht Anthus gaat terug op het Griekse anthos, bij Plinius de naam van een kleine graslandvogel. De Nederlandse, Engelse en Spaanse naam noemen alle drie diezelfde rode keel.




