Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Siberische boompieper
Siberische boompieper | Anthus hodgsoni
Olive-backed Pipit | Bisbita de Hodgson
De siberische boompieper is een Aziatische pieper van bosranden en open naaldbos die in het gidsgebied alleen als zeldzame gast optreedt, vooral op de buitenste Aleoeten en de eilanden in de Beringzee. Hij is de groenste van alle piepers die je in Noord-Amerika kunt tegenkomen en de enige die geregeld in bomen gaat zitten.
Geluid
De roep bij opvliegen is een hoog, rauw speez of tiez, duidelijk lager en schorrer dan de dunne roep van de roodkeelpieper. De zang, in het broedgebied gegeven vanuit een boomtop of in een zangvlucht die in een boom eindigt, is een snelle, hoge reeks trillers en dalende figuren, sneller en ijler dan die van de Europese boompieper. In Noord-Amerika horen waarnemers vrijwel alleen de roep.
Opname: Jochem Verweij — CC BY-SA 4.0 · Binder, Khentii, Mongolia · xeno-canto
Herkenning
De bovenzijde is olijfgroen en slechts vaag gestreept, waarmee hij zich van elke andere Noord-Amerikaanse pieper onderscheidt. Een opvallende wenkbrauwstreep loopt van de snavel naar achteren, voor het oog okerkleurig en erachter wit; op de achterrand van de oorstreek staat een klein wit vlekje met daarvoor een donkere vlek. De onderzijde is wit tot okerkleurig met zware, zwarte streping op borst en flanken. Er zijn twee lichte vleugelstrepen, de poten zijn vleeskleurig. Hij foerageert lopend op de grond maar vliegt bij verstoring in een boom, wat piepers van open terrein niet doen.
Verwarringssoorten
De Amerikaanse pieper en de siberische pieper zijn grijsbruin en niet olijfgroen van boven, hebben geen wit oorvlekje en gaan zelden in bomen. De roodkeelpieper is zwaar gestreept tot op de stuit en heeft een dunne, ijle roep; bij de siberische boompieper is de stuit ongestreept. De pechorapieper, ook een Aziatische gast op de Beringzee-eilanden, heeft twee lichte lengtestrepen over de mantel en een korte, harde roep. Bij twijfel zijn de groene, nauwelijks gestreepte rug en het witte vlekje achter de oorstreek de sluitende kenmerken.
Leefgebied
In het broedgebied open naald- en berkenbos, bosranden en boomgrenszones in de taiga en in het gebergte, tot op grote hoogte in de Himalaya. Hij overwintert in wintergroen bos, in aanplant en in bosranden, waar hij op de bosbodem tussen de strooisellaag foerageert. De vogels die in West-Alaska opduiken worden meestal gevonden in dwergstruweel, tussen kruiden rond gebouwen of op grasvelden in de dorpen, zonder de bomen die ze in hun eigen areaal gebruiken.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het areaal loopt van het noordoosten van Europees Rusland door Siberië tot Kamtsjatka en Japan en zuidwaarts langs de Himalaya en door China. De overwintering ligt in Zuid- en Zuidoost-Azië, van het Indiase schiereiland tot de Filipijnen. In Noord-Amerika is hij een zeldzame doortrekker in het westen van Alaska, met de meeste gevallen op de buitenste Aleoeten en in mindere mate op de eilanden in de Beringzee; er zijn enkele gevallen verder naar het zuiden, in Californië en Nevada.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Je grootste kans ligt op Attu, Shemya of Adak in de tweede helft van mei en in september, wanneer aanlandige wind uit Azië gasten aanvoert. Let op een pieper die na het opvliegen op een richel, een bouwsel of een struik gaat zitten in plaats van in het gras te duiken, en probeer bij het opvliegen de roep vast te leggen.
Staat van instandhouding
De soort is wereldwijd niet bedreigd; het areaal is zeer uitgestrekt en de populatie wordt als groot en stabiel beoordeeld. In Noord-Amerika gaat het om enkele vogels per jaar, zodat instandhouding hier geen rol speelt; het aantal gevallen hangt vooral af van het aantal waarnemers op de Aleoeten in de trektijd. In Azië wordt de soort door bosbouw plaatselijk beïnvloed, maar hij gebruikt ook aanplant en aangetast bos.
Wetenschappelijke naam
Anthus hodgsoni | Richmond, 1907
Richmond gaf de soort in 1907 de naam Anthus hodgsoni, als vervangende naam voor een eerder, niet bruikbaar gebleken epitheton; omdat de soort in dat geslacht is gebleven, staan auteur en jaartal zonder haakjes. De soortnaam eert Brian Houghton Hodgson, Brits resident in Nepal en verzamelaar van Himalaya-vogels. Het geslacht Anthus gaat terug op het Griekse anthos, bij Plinius de naam van een kleine graslandvogel. De Engelse naam noemt de olijfgroene rug, de Nederlandse de herkomst en de verwantschap met de boompieper, de Spaanse de man aan wie de soort is opgedragen. Het beschreven exemplaar kwam uit Bengalen.




