Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Appelvink
Appelvink | Coccothraustes coccothraustes
Hawfinch | Picogordo común
De appelvink is de zwaarst gebouwde vink van Eurazië, met een kegelsnavel waarmee hij kersen- en pruimenpitten kraakt. In Noord-Amerika is hij een dwaalgast: een handvol waarnemingen, vrijwel alle op de Aleoeten en de eilanden in de Beringzee.
Geluid
Het stemgeluid is spaarzaam. De roep is een hard, kort tsik, in toon scherp en metaalachtig, vaak vanuit de boomkruin gegeven en soms het enige teken dat de vogel er zit. In de vlucht klinkt een ijler, hoog tsrie. De zang is zacht, mompelend en onsamenhangend, een reeks piepende en klikkende notities die maar enkele meters draagt en zelden wordt opgemerkt.
Opname: Lars Edenius — CC BY-NC-SA 4.0 · Umeå, Umeå Municipality, Västerbottens län, Sweden · xeno-canto
Herkenning
Een kortstaartige, dikkoppige vink die in de vlucht bijna staartloos oogt. De snavel is groot en kegelvormig, in de zomer staalblauw tot zwart en in de winter beenwit. Kop en borst zijn oranjebruin, de nek is grijs, de mantel donkerbruin en er loopt een zwart masker om de snavelbasis en de keel. De hand- en armpennen zijn glanzend blauwzwart met witte uiteinden, waardoor een breed wit vleugelveld ontstaat dat in de vlucht opvalt; de staart is bruin met een witte eindband. De kaakspieren leveren een druk die ruwweg met 30 tot 48 kilogram is vergeleken.
Verwarringssoorten
Binnen Noord-Amerika is verwarring vooral mogelijk met de avonddikbek, die eveneens een massieve bleke snavel heeft, maar geel is op buik, stuit en voorhoofd en een groot, effen wit vleugelvlak toont in plaats van witte pentoppen. De haakbek is langstaartig en heeft een gehaakte snavel. De zwartkopdikbek en de roodborstdikbek zijn slanker, langstaartiger en hebben een gestreepte of contrastrijk zwart-witte kop zonder het bruin-grijze verloop van de appelvink.
Leefgebied
Loof- en gemengd bos met hoge bomen, in Europa vooral met haagbeuk, beuk, iep en kers, en daarnaast parken, oude boomgaarden en landgoederen. Hij foerageert hoog in de kruin en komt alleen voor gevallen zaad en pitten op de grond. In de winter concentreert hij zich in bossen met kers-, pruimen- of haagbeukzaad. De Alaskaanse waarnemingen betreffen struikjes en tuintjes op boomloze eilanden, waar geen van die begroeiing voorhanden is.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het areaal beslaat Europa, Noordwest-Afrika en de gematigde zone van Azië tot Japan; noordelijke populaties trekken zuidwaarts, zuidelijke zijn standvogel. Naar Noord-Amerika komt hij als dwaalgast over de Beringzee: de aanvaarde waarnemingen liggen vrijwel alle op de westelijke Aleoeten, Sint-Laurenseiland en de Pribilofeilanden, met een zwaartepunt in het late voorjaar. Waarnemingen op het vasteland van Noord-Amerika zijn zeldzaam en worden geregeld op ontsnapte kooivogels getoetst.
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in mei en begin juni op Attu, Shemya of St. Paul, na dagen met aanhoudende westenwind. Een appelvink zit lang stil in dekking en verraadt zich meestal eerst met de korte tsik-roep; scan daarom lage struiken en tuinranden op een vogel met een korte staart en een witte vleugelband.
Staat van instandhouding
De wereldpopulatie wordt op ruwweg 15 tot 50 miljoen vogels geschat en geldt als stabiel, zodat de soort als niet bedreigd (LC) te boek staat. In het Verenigd Koninkrijk is het aantal sterk teruggelopen, waarschijnlijk door veranderingen in bosbeheer en door vraat aan zaailingen en zaad door grijze eekhoorn en hert. Voor de Noord-Amerikaanse waarnemingen is geen instandhoudingsvraag aan de orde.
Wetenschappelijke naam
Coccothraustes coccothraustes | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Loxia coccothraustes; omdat ze later in Coccothraustes is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Die geslachtsnaam komt van het Griekse kokkos 'pit of zaad' en thrauo 'breken, verbrijzelen' en beschrijft dus wat de snavel doet; hij is als soort- en geslachtsnaam herhaald. Het Engelse hawfinch verwijst naar de haagdoorn. Het typemateriaal werd beperkt tot Italië.



