Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Roodmus
Roodmus | Carpodacus erythrinus
Common Rosefinch | Camachuelo carminoso
De roodmus is een Euraziatische vink waarvan alleen het oude mannetje karmijnrood is; de overgrote meerderheid van de vogels is grijsbruin en ongetekend. In Noord-Amerika is hij een dwaalgast die vrijwel uitsluitend op de eilanden van West-Alaska is vastgesteld.
Geluid
De zang is een korte, heldere fluitzin van vier tot vijf notities met een stijgend-dalend verloop, vaak weergegeven als wie-djie-wie-djoe, telkens in dezelfde vorm herhaald vanaf een vrije tak of een struiktop. De roep is een zacht, opwaarts oe-iet, tweelettergrepig en met een stijgende toon aan het eind, en een korter tsjik bij verstoring. Zingende vogels op de Alaskaanse eilanden zijn zeldzaam; de meeste dwaalgasten zwijgen.
Opname: Kevin Guille — CC0 · Birky, Lyubeshivs'kyi district, Volyn Oblast, Ukraine · xeno-canto
Herkenning
Een gedrongen vink met een korte, sterk gebogen bovensnavel, een ronde kop zonder enige koptekening en een groot, donker oog dat daardoor opvalt. Het oude mannetje is karmijnrood op kop, borst en stuit, met bruine vleugels en een witte buik; die kleur krijgt hij pas in zijn tweede of derde jaar. Vrouwtjes en jonge mannetjes zijn olijfbruin tot grijsbruin, van onderen vaal met een vage, diffuse streping, en tonen twee smalle, bleke vleugelstrepen. De staart is licht gevorkt.
Verwarringssoorten
De Amerikaanse roodmussen — de purperroodmus, de huisroodmus en de cassins roodmus — hebben alle een duidelijke koptekening met een lichte wenkbrauwstreep of een gestreepte kruin en een rechtere snavel; de roodmus heeft een effen, ongetekende kop en een kleiner, ronder silhouet. Bruine vogels zijn het lastigst: let op de vaal ongestreepte ondersnavelbasis, de zwakke, vlekkerige borststreping en de opvallend donkere oogvlek in een verder vlak gezicht. De grauwe roodmus van Azië is grover gebouwd en zwaarder gestreept.
Leefgebied
Struweel en bosrand, vooral vochtig: wilgenopslag langs rivieren, berkenstruweel, hoogstammige tuinen en verwilderde akkerranden. Hij zingt van halfhoge, vrijstaande takken en foerageert op zaden, knoppen en bessen in dichte struiklaag. In het winterkwartier in Zuid-Azië komt hij in tuinen, boomgaarden en akkerland. De Alaskaanse waarnemingen betreffen de schaarse struikjes, kruidenvegetatie en dorpstuintjes van boomloze eilanden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied loopt van de Donauvallei en Zweden door heel Siberië tot de Beringzee en Japan; overwinterd wordt in Zuid-Iran, India, Birma en Zuid-China. Het areaal schuift al decennia westwaarts, tot in Portugal en met broedgevallen in de Britse eilanden. Naar Noord-Amerika komt hij zelden over: de waarnemingen liggen vrijwel alle op St. Lawrence, de Pribilofs en de westelijke Aleoeten, met een handvol elders langs de westkust. Ze vallen vooral in het late voorjaar en in september.
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in juni op Gambell of St. Paul, na dagen met westenwind: controleer daar elke bruine vink in de kruidenvegetatie en de omgeving van de dorpen. Het beste kenmerk is wat hij níet heeft — geen wenkbrauwstreep, geen gestreepte kruin, geen scherpe borststrepen — plus de korte, stompe snavel en het grote donkere oog.
Staat van instandhouding
De soort staat als niet bedreigd te boek, met een zeer groot areaal en een stabiele tot toenemende trend; in Noord- en West-Europa is de westwaartse uitbreiding goed gedocumenteerd. In delen van Zuid-Azië worden roodmussen als kooivogel gevangen, maar dat raakt de populatie niet meetbaar. Het voorkomen in Noord-Amerika is te klein en te onregelmatig om er beheer aan te koppelen.
Wetenschappelijke naam
Carpodacus erythrinus | (Pallas, 1770)
Pallas beschreef de soort in 1770 als Loxia erythrina, naar materiaal van de Wolga en de Samara; omdat ze later in Carpodacus is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Dat geslacht werd in 1829 ingevoerd door Johann Jakob Kaup, uit het Griekse karpos 'vrucht' en dakos 'bijter', dus 'vruchtenbijter'. De soortnaam erythrinus gaat terug op het Griekse erythros 'rood', naar het kleed van het oude mannetje.




