Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Putter

Putter | Carduelis carduelis

European Goldfinch | Jilguero europeo

De putter is een Europese vink met een rood-wit-zwart koppatroon en een brede gele band over de zwarte vleugel. In Noord-Amerika is hij een ingevoerde vogel: na een reeks mislukte introducties in de negentiende eeuw houdt zich sinds begin deze eeuw een broedende populatie tussen Milwaukee en Chicago.

Putter (Carduelis carduelis)
Foto: xulescu_g — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een helder, huppelend tikkelit of stiglit, vaak in de vlucht en uit een hele troep tegelijk, waardoor een golvend gerinkel ontstaat. De zang is een snelle, doorlopende reeks van diezelfde notities met ingelaste trillers en een kenmerkend nasaal, hard tsjèèr ertussendoor, meestal vanaf een draad of een boomtop. Zingen begint al in februari, eerder in het jaar dan bij de goudsijs.

Luister: ZangXC1156318

Opname: Andrew McCafferty — CC BY-NC-SA 4.0 · Slack Lane, Cockersands, Lancashire, England, United Kingdom · xeno-canto

Herkenning

Het gezicht is rood tot achter het oog, omlijst door wit en zwart; de kruin en de nekzijden zijn zwart, de rug en flanken warm beige. De vleugel is zwart met een brede, doorlopende gele band en witte veerpunten; de stuit is wit en de staart zwart met witte vlekken. De snavel is lang, spits en ivoorwit, bij broedvogels met een donkere punt. Beide geslachten lijken op elkaar. Jonge vogels missen het koppatroon volledig: kop en lijf zijn dan grijsbeige en fijn gestreept, maar de gele vleugelband is al aanwezig.

Verwarrings­soorten

De goudsijs is in zomerkleed helder geel met een zwarte voorkruin en zwarte vleugels met witte, niet gele, tekening; in winterkleed is hij olijfbeige zonder enig rood of geel op de kop. De dennensijs is kleiner, over borst en flanken gestreept en heeft smalle gele vleugelstrepen in plaats van één brede band. Bij jonge putters is de brede gele vleugelband in de vlucht het bruikbaarste kenmerk, samen met de witte stuit en de lange bleke snavel.

Leefgebied

Open terrein met verspreide bomen en veel zaaddragende kruiden: tuinen en parken, spoortaluds, braakliggende percelen, wegbermen, boomgaarden en akkerranden. Distels, kaardenbol, klit en zonnebloem leveren het hoofdvoedsel; in de winter komt hij op nyjerzaad en zonnebloempitten bij voedertafels. Gesloten bos mijdt hij. In het Middenwesten nestelt hij in sierconiferen en loofbomen van woonwijken en bedrijventerreinen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Van huis uit een vogel van Europa, Noord-Afrika en West- en Centraal-Azië. In Noord-Amerika werden in de negentiende en vroege twintigste eeuw vogels losgelaten bij New York, Boston en Cincinnati; die populaties hielden geen stand. De huidige populatie gaat vermoedelijk terug op ontsnapte of losgelaten vogels van een vogelhandelaar in Noord-Illinois rond 2000; sinds 2003 wordt er onafgebroken gebroed. Het zwaartepunt ligt in Kenosha County en Racine County in Zuidoost-Wisconsin en de aangrenzende voorsteden van Chicago, met een geleidelijke uitbreiding richting Milwaukee. Daarbuiten zijn meldingen in het hele werelddeel vrijwel altijd ontsnapte kooivogels.

  • Jaarrond
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

De grootste kans geven woonwijken en parken in de strook Kenosha–Racine, van maart tot mei, wanneer de zang klinkt en de vogels nog in troepen bij voedertafels komen. Let op het geluid: de huppelende roep verschilt hoorbaar van het geluid dat in Engelse veldgidsen wordt weergegeven als po-ta-to-chip bij de goudsijs. Meld een waarneming met foto, want voor de status van een ingevoerde populatie telt elk gedocumenteerd broedgeval.

Staat van instandhouding

In het oorspronkelijke areaal is de soort talrijk en niet bedreigd (LC). De Noord-Amerikaanse populatie is klein en beperkt tot een strook van enkele tientallen kilometers, maar houdt al ruim twee decennia stand en breidt langzaam uit. Onderzoek richt zich op de vraag of concurrentie met de goudsijs optreedt; de putter broedt enkele weken tot maanden eerder, wat overlap in nestplaats en kruising minder waarschijnlijk maakt. De soort wordt in de Verenigde Staten niet beheerd of bestreden.

Wetenschappelijke naam

Carduelis carduelis | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla carduelis; omdat ze later in Carduelis is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Carduelis is het Latijnse woord voor distelvink, van carduus 'distel', naar het voedsel. De Nederlandse naam komt van putten: kooivogels werden geleerd hun eigen drinkwater met een emmertje aan een kettinkje omhoog te halen. De Engelse naam vestigt de aandacht op de gele vleugelband.