Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Kruisbek
Kruisbek | Loxia curvirostra
Red Crossbill | Piquituerto común
De kruisbek is een zware naaldbosvink waarvan de snavelpunten elkaar kruisen: daarmee wringt hij kegelschubben open en licht hij het zaad eruit. In Noord-Amerika gaat het niet om één uniforme vogel maar om een reeks roeptypen, elk met een eigen snavelmaat, een eigen vluchtroep en een eigen voorkeurskegel.
Geluid
De vluchtroep is een hard, laag kip-kip of djip-djip, in tweeën of drieën gegeven, en klinkt zwaarder en voller dan de dunne roep van de witbandkruisbek. De precieze klank verschilt per roeptype en is op een sonagram beter te scheiden dan met het oor; tien typen zijn in Noord-Amerika beschreven. De zang is een reeks van diezelfde roepnotities afgewisseld met ratels, trillers en korte piepjes, vanaf de top van een conifeer of in een langzame zangvlucht.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Plateau de Beille, France · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje is baksteenrood tot oranjerood over kop, borst en stuit, met donkerbruine vleugels en staart en zonder vleugelstrepen. Het vrouwtje is olijfgroen tot groengeel, het donkerst op de rug en het geelst op de stuit. Jonge vogels zijn grijsbruin met zware streping over borst en flanken. De snavel is dik en kort, met over elkaar heen stekende punten; de staart is kort en gevorkt, het lichaam gedrongen, de kop groot. Tussen roeptypen lopen vooral de snavelmaat en, in mindere mate, de lichaamsgrootte flink uiteen.
Verwarringssoorten
De witbandkruisbek heeft twee brede witte vleugelstrepen op een zwarte vleugel en een slankere snavel; jonge kruisbekken kunnen smalle beige vleugelstrepen tonen, maar houden een bruine vleugel. De idahokruisbek van Zuid-Idaho is op verenkleed niet te scheiden en alleen aan de lagere, drogere roep en de zwaardere snavel te herkennen. De haakbek is groter en langstaartiger, met een korte ronde snavel zonder kruising. Roodmussen hebben een kegelvormige, niet gekruiste snavel en gestreepte onderdelen.
Leefgebied
Naaldbos met een goede kegeloogst: sparrenbos in het boreale gebied, douglas-, hemlock- en dennenbos in het westen, pinyon (laaggroeiende den van de droge zuidwestelijke bergvoeten)-jeneverbes en droog dennenbos in het Grote Bekken en de Zuidwest, en dennen-eikenbos tot in de bergen van Mexico en Midden-Amerika. Het type kegel bepaalt welk roeptype er zit. Buiten het broedseizoen bezoekt hij ook aangeplante coniferen in parken en tuinen, en hij komt op wegkanten en strooizout af om grit en mineralen op te nemen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel van Alaska en heel boreaal Canada, van de bergen van de westkust en de Rocky Mountains, van de Appalachen en het noordoosten, en van de bergbossen van Mexico zuidwaarts door Guatemala en Honduras tot Nicaragua. Ook in de Sierra San Pedro Mártir van Neder-Californië zit een vaste populatie. Trek in de gewone zin ontbreekt; bij een misoogst verplaatsen troepen zich over honderden tot duizenden kilometers en verschijnen ze 's winters in het Middenwesten, de Great Plains en de zuidoostelijke staten. Broeden kan in vrijwel elke maand, met een zwaartepunt van eind winter tot late zomer.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Let eerst op het geluid: troepen vliegen hoog over en roepen daarbij onafgebroken, zodat je ze hoort voordat je ze ziet. Een geluidsopname maakt het roeptype achteraf bepaalbaar, wat bij deze soort meer informatie geeft dan de foto. Zoek verder onder kegeldragende coniferen naar vers afgebeten kegels en losse schubben, en controleer wegbermen en zoutplekken, waar troepen laag op de grond zitten.
Staat van instandhouding
De soort is niet bedreigd (LC) en het areaal is groot, maar de aantallen schommelen zo sterk dat trends per gebied nauwelijks te meten zijn. De afzonderlijke roeptypen zijn een ander verhaal: sommige hebben een klein areaal en zijn gebonden aan één kegelsoort, waardoor kap, brand en aantasting door dennenkevers hen hard kunnen raken. Het roeptype van de South Hills is inmiddels als aparte soort erkend; van verschillende andere typen is de status onvoldoende bekend.
Wetenschappelijke naam
Loxia curvirostra | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Loxia curvirostra; auteur en jaartal staan zonder haakjes omdat de soort nog altijd in het door hem gebruikte geslacht staat. Loxia komt van het Griekse loxos 'schuin, scheef'. Curvirostra is Latijn voor 'kromsnavelig', van curvus 'krom' en rostrum 'snavel'. De Nederlandse naam benoemt hetzelfde kenmerk: de twee snavelhelften kruisen elkaar aan de punt, bij de ene vogel naar links en bij de andere naar rechts.





