Alle soorten › Zangvogels › Kardinaalachtigen › Azuurbisschop
Azuurbisschop | Cyanocompsa parellina
Blue Bunting | Picogrueso azul
De azuurbisschop is een gedrongen zaadeter van Mexico en Noord-Midden-Amerika, met een korte, zware kegelsnavel waarvan de bovenrand duidelijk gebogen is. Het mannetje is geheel donkerblauw met lichtblauwe vlakken op voorhoofd, wang, schouder en stuit; het vrouwtje is effen warmbruin. In de Verenigde Staten komt hij alleen als onregelmatige wintergast in het uiterste zuiden van Texas.
Geluid
De zang is een korte, vloeiende warrel van heldere toontjes die aan het eind iets omlaag zakt; hij wordt meestal vanuit dekking gezongen, zelden vanaf een vrije zangpost. De roep is een harde, metalige tsjink, kort en droog, en is in dicht struweel vaak het enige teken dat de vogel er zit. Mannetjes zingen vooral in het voorjaar en de vroege zomer; buiten de broedtijd blijft het bij de roep.
Opname: Aziza Cooper — CC BY-NC-SA 4.0 · Yelapa, Cabo Corrientes, Jalisco, Mexico · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje is donker kobaltblauw over het hele lichaam, met lichter hemelsblauw op voorhoofd en wenkbrauwstreek, op de wang, op de vleugelbocht en op de stuit. Vleugelstrepen ontbreken. De snavel is kort, hoog en zwaar, met een gebogen bovenrand, en lijkt daardoor stomper dan die van de andere blauwe zaadeters. Het vrouwtje is egaal warmbruin, iets roodbruin op de buik, zonder streping en zonder vleugelstrepen. In de schaduw lijkt het mannetje zwart; alleen in direct licht komen de blauwtinten uit elkaar.
Verwarringssoorten
Het mannetje van de indigogors is lichter en gelijkmatiger blauw, zonder de lichtere vlakken op kop en stuit, en heeft een kleinere, rechtere snavel. De blauwe bisschop is duidelijk groter, heeft een zware zilvergrijze snavel en twee roodbruine vleugelstrepen. Bij de vrouwtjes is de snavelvorm de sleutel: het vrouwtje van de azuurbisschop is ongestreept en heeft geen vleugelstrepen, terwijl dat van de indigogors fijne streping op de borst en vage bleke vleugelstrepen toont en dat van de blauwe bisschop brede beige vleugelstrepen heeft.
Leefgebied
Dicht struweel, ondergroei en bosranden van tropisch loofbos, secundair bos en verruigde plantageranden. Hij houdt zich laag bij de grond en blijft meestal binnen de dekking; open landschap mijdt hij. In Mexico komt hij tot ongeveer 1800 meter voor, in Guatemala tot ongeveer 900 meter. Ook overgroeide tuinranden en heggen bij dorpen worden gebruikt, zolang er een dichte struiklaag staat.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel van Mexico en Noord-Midden-Amerika. Op de Pacifische helling loopt het areaal van Sinaloa en Nayarit zuidwaarts tot Oaxaca en Chiapas, op de Golfhelling van Nuevo León, Tamaulipas en San Luis Potosí via Veracruz naar Tabasco, en verder over het schiereiland Yucatán. Zuidelijk reikt hij tot Belize, Guatemala, Honduras, El Salvador en Nicaragua. In de Verenigde Staten is hij een zeldzame en onregelmatige wintergast in het dal van de Beneden-Rio Grande in Zuid-Texas, met enkele waarnemingen verder noordwaarts langs de kust en één geval in Louisiana.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In Texas is de periode van november tot maart de enige kans, en vrijwel altijd bij een voerplek in het dal van de Beneden-Rio Grande — Bentsen-Rio Grande Valley State Park, Santa Ana en Estero Llano Grande zijn de plaatsen met de meeste gevallen. Let op de harde tsjink uit het struikgewas en wacht tot de vogel in de zon komt: in de schaduw is het blauw niet van zwart te onderscheiden.
Staat van instandhouding
De soort staat als niet bedreigd (LC) te boek en is over een groot deel van het areaal vrij talrijk. Hij verdraagt matige aantasting van het leefgebied en houdt stand in secundair bos en verruigde randen, zodat ontbossing hem minder treft dan soorten van gesloten bos. Wel worden lokaal vogels gevangen voor de kooivogelhandel. Er zijn geen gegevens die op een landelijke afname wijzen; systematische tellingen ontbreken in het grootste deel van het areaal.
Wetenschappelijke naam
Cyanocompsa parellina | (Bonaparte, 1850)
Bonaparte beschreef de soort in 1850 als Cyanoloxia parellina; omdat ze later in een ander geslacht werd geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cyanocompsa werd in 1861 ingevoerd door Jean Cabanis, naar het Griekse kuanos 'donkerblauw' en kompsos 'fijn, verzorgd'. De soortnaam parellina verwijst naar parella, de middeleeuwse naam van een korstmos waaruit een blauwviolette verfstof werd gewonnen. Het beschreven exemplaar kwam uit Alvarado in Veracruz. De Nederlandse naam combineert 'azuur' met 'bisschop', de groepsnaam die voor verschillende blauwe leden van deze familie wordt gebruikt.



