Alle soorten › Zangvogels › Kardinaalachtigen › Indigogors

Indigogors | Passerina cyanea

Indigo Bunting | Azulillo índigo

De indigogors is de blauwe zaadeter van de verruigde bosranden in het oosten van de Verenigde Staten. Het mannetje is in de zomer over het hele lichaam blauw, het vrouwtje effen bruin; in de winter lijkt het mannetje door bruine veerranden grotendeels op het vrouwtje. Het is een nachttrekker die op de sterrenhemel navigeert en in Midden-Amerika en het Caraïbisch gebied overwintert.

Indigogors (Passerina cyanea)
Foto: Jim Hudgins/USFWS — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een reeks heldere, licht schurende toontjes die meestal in paren komen: swiet-swiet tsjew-tsjew swiet-swiet, twee tot vier seconden lang, vanaf een draad, een paaltje of de top van een struik. Mannetjes in dezelfde omgeving delen vaak vrijwel dezelfde strofe, zodat er plaatselijke zangbuurten ontstaan die jarenlang blijven bestaan. De roep is een scherpe tsjip; in de vlucht klinkt een hoge, dunne zieep, ook 's nachts tijdens de trek.

Luister: ZangXC1146756

Opname: Rory Nefdt — CC BY-NC-SA 4.0 · Flag Ponds Nature Park Delaware, United States · xeno-canto

Herkenning

Het mannetje in broedkleed is over het hele lichaam blauw, het diepst op de kop, met zwarte vleugels en staart waarvan de veerranden blauw zijn. Vleugelstrepen ontbreken. Het blauw komt uit de veerstructuur en niet uit een pigment: in tegenlicht lijkt de vogel donkergrijs tot zwart. Het vrouwtje is warmbruin van boven en lichter bruin van onderen, met een vage, fijne streping op de borst en twee onduidelijke bleke vleugelstrepen. De snavel is kort, kegelvormig en tweekleurig: donkere bovensnavel, lichte ondersnavel. In het najaar en de winter is het mannetje bruin met blauwe vlekken, vaak op stuit en vleugelbocht.

Verwarrings­soorten

De blauwe bisschop is groter, donkerder blauw en heeft een veel zwaardere snavel en twee roodbruine vleugelstrepen. De lazuligors, waarmee hij op de Great Plains hybridiseert, heeft bij het mannetje een oranjebruine borst, een witte buik en brede witte vleugelstrepen. Vrouwtjes van indigo- en lazuligors lijken sterk op elkaar: die van de lazuligors is ongestreept op de borst en heeft duidelijke bleke vleugelstrepen, die van de indigogors is fijn gestreept en heeft vagere vleugelstrepen. Hybriden tonen tussenvormen en zijn niet altijd op naam te brengen.

Leefgebied

Verruigde bosranden, kapvlakten, jonge opslag, bermen, houtwallen en verlaten akkers — overal waar struweel en kruidenvegetatie tegen opgaand bos aan liggen. Gesloten bos en kaal akkerland mijdt hij; door bosverjonging en versnippering van het landschap is er meer geschikte rand ontstaan dan er van nature was. Op de trek en in de winter gebruikt hij grasland, rijstvelden, ruige, onkruidrijke velden en struweelranden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedvogel van Zuid-Canada en het oosten en midden van de Verenigde Staten, van Maine en Zuid-Ontario tot Noord-Florida en Oost-Texas, westwaarts tot de Great Plains en plaatselijk verder tot New Mexico, Arizona en Zuid-Nevada. De trek verloopt in april en mei en opnieuw in september en oktober, deels dwars over de Golf van Mexico. De overwintering valt in Zuid-Florida, op de Grote en Kleine Antillen, langs beide kusten van Mexico, in Midden-Amerika en tot in Colombia en Venezuela.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in mei en juni langs een bosrandweg: de zang klinkt de hele dag door, ook midden op de dag als de meeste andere zangvogels zwijgen. Ga voor de kleur met de zon in de rug staan — van de andere kant is een zingend mannetje een silhouet. Op de najaarstrek verraadt de scherpe tsjip de bruine vogels in de ruige randen.

Staat van instandhouding

Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 77 miljoen vogels; de soort geldt als niet bedreigd (LC). De Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laat sinds 1966 een afname van ongeveer 0,6 procent per jaar zien, zonder dat het areaal krimpt. Knelpunten zijn intensivering van de landbouw, het maaien van bermen in de broedtijd, botsingen met voertuigen en masten tijdens de nachtelijke trek, en het vangen van overwinterende vogels voor de kooivogelhandel in Mexico.

Wetenschappelijke naam

Passerina cyanea | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Tanagra cyanea; omdat ze later naar een ander geslacht ging, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Passerina werd in 1816 ingevoerd door Vieillot, naar het Latijnse passer 'mus', voor kleine zaadeters van musachtige bouw. De soortnaam cyanea betekent 'blauw', naar het kleed van het mannetje. Het beschreven exemplaar kwam uit Carolina, later vastgelegd op South Carolina. 'Indigo' verwijst naar de blauwe verfstof indigo, en keert in de Nederlandse, Engelse en Spaanse naam terug.