Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Baltimoretroepiaal
Baltimoretroepiaal | Icterus galbula
Baltimore Oriole | Turpial de Baltimore
De baltimoretroepiaal is de troepiaal van het oosten van Noord-Amerika: het mannetje heeft een geheel zwarte kop en rug tegenover een oranje borst, stuit en staartzijde. Hij broedt in hoge loofbomen langs bosranden, in parken en op erven, en verdwijnt al in augustus naar Midden-Amerika en het noorden van Zuid-Amerika.
Geluid
De zang is een korte reeks heldere, volle fluittonen met een enigszins vibrerende klank, twee tot vier notities in paren herhaald en één tot twee seconden lang; elk mannetje heeft een eigen vaste strofe, zodat individuen aan hun zang te herkennen zijn. De roep is een nasaal, dalend vieeer en een laag ratelend geklepper; daarnaast klinken hoge tjoe-li- en kliek-notities. Ook vrouwtjes zingen, korter en onregelmatiger.
Opname: Bobby Wilcox — CC BY-NC-SA 4.0 · Tama (near Burlington), Des Moines, Iowa, United States · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje heeft kop, keel, bovenborst en rug geheel zwart, zonder oranje in het gezicht, en is verder diep oranje op onderborst, buik, stuit en schouder. De vleugel is zwart met één smalle witte band op de grote dekveren en witte randen aan de slagpennen. De staart is zwart met oranje buitenhoeken. Het vrouwtje is geelbruin van boven met een donkerder, gevlekte rug en oranjegeel van onderen, doorlopend tot onder de staart, met twee witte vleugelbanden; oudere vrouwtjes krijgen soms zwart op kop en keel. Eerstejaars mannetjes zijn oranjer met een zwarte keel.
Verwarringssoorten
Bullocks troepiaal, die op de Great Plains aansluit, heeft bij het mannetje een oranje gezicht met alleen een zwarte kruin, oogstreep en smalle keelstreep, en een groot wit vleugelveld in plaats van een smalle band. Bij de vrouwtjes is die van de baltimoretroepiaal gelijkmatig oranjegeel van borst tot onderstaart, terwijl Bullocks troepiaal een grijswitte buik heeft die tegen de gele borst afsteekt. De tuintroepiaal is kleiner, korter van staart en bij het mannetje kastanjebruin; het vrouwtje is geler en groener, zonder oranje. In de smalle contactzone op de Great Plains komen hybriden voor met een tussenvorm van de koptekening.
Leefgebied
Open loofbos, bosranden, houtwallen en beboomde oevers, met hoge bomen en veel open lucht ertussen; gesloten bos mijdt hij. Iep, populier, esdoorn en wilg zijn veelgebruikte nestbomen. Hij broedt veel in boomgaarden, stadsparken, begraafplaatsen en straten met oude bomen. Het nest is een diepe hangende zak van plantenvezel, geweven aan het uiteinde van een dunne buitentak, vaak boven een open plek of een weg. In de winter gebruikt hij bosrand, koffieplantages met schaduwbomen en tuinen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt van de Canadese prairieprovincies en Oost-Montana oostwaarts over Zuid-Ontario, Quebec en New Brunswick, en zuidwaarts door het oosten van de Verenigde Staten tot Louisiana, Midden-Mississippi, Alabama en Noord-Georgia. De westgrens ligt op de Great Plains, waar hij Bullocks troepiaal ontmoet; de twee kruisen in een smalle zone langs de rivierbossen, die in de twintigste eeuw versmalde en westwaarts opschoof. Tussen 1973 en 1995 werden beide als één soort behandeld, de noordelijke troepiaal, tot bleek dat de menging beperkt blijft. De winter wordt doorgebracht van Zuid-Mexico en het Caraïbisch gebied over Midden-Amerika tot Colombia en Venezuela, met kleine aantallen aan de Golfkust van de Verenigde Staten en in Florida.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in mei, wanneer de bomen nog niet volledig in blad staan en de zang het hardst klinkt: een bosrand of een parkstrook met hoge iepen of populieren geeft de grootste kans. Kijk hoog — hij foerageert vooral in de bovenste helft van de kruin. Een halve sinaasappel of een schaaltje gelei in de tuin trekt hem in de eerste dagen na aankomst vaak binnen zichtafstand.
Staat van instandhouding
De soort staat als niet bedreigd (LC) te boek, maar uit de Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) blijkt tussen 1966 en 2015 een afname van meer dan anderhalf procent per jaar in het noordelijke en oostelijke deel van het broedgebied. Het verdwijnen van de Amerikaanse iep door de iepziekte nam een veel gebruikte nestboom weg. Verder spelen het verlies van bosranden en houtwallen, bestrijdingsmiddelen in boomgaarden en de omzetting van schaduwkoffie naar volle-zonkoffie in het overwinteringsgebied een rol. Aanplant van inheemse loofbomen in parken en erven levert opnieuw broedplaatsen op.
Wetenschappelijke naam
Icterus galbula | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Coracias Galbula; door de plaatsing in een ander geslacht staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Icterus komt van het Griekse ikteros, de naam van een gele vogel — bij de Grieken de wielewaal, die met geelzucht in verband werd gebracht. De soortnaam galbula is het Latijnse woord voor een kleine gele vogel, eveneens de wielewaal. De naam Baltimore verwijst naar het zwart-oranje wapen van Lord Baltimore, de zeventiende-eeuwse eigenaar van de kolonie Maryland. Het beschreven exemplaar kwam uit 'Amerika', later beperkt tot Virginia.






