Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Bergsialia

Bergsialia | Sialia currucoides

Mountain Bluebird | Azulejo claro

De bergsialia is de sialia van het open land op hoogte: sagebrush (grijsgroen alsemstruweel van het droge westelijke binnenland)-vlakten, bergweiden en de randen van naaldbos, tot boven de boomgrens. Het mannetje is als enige sialia geheel blauw zonder roestbruin, en de soort jaagt anders dan zijn verwanten — biddend boven kort gras in plaats van duikend vanaf een tak.

Bergsialia (Sialia currucoides)
Foto: Nigel — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een ijl, hoog tjew of few, dun en enkelvoudig, vaak van een langsvliegende vogel. De zang is een lage, ruw gewarrelde reeks van tsjur-tsjur-notities, meestal lang voor zonsopgang en vanaf een hoge tak of paal gebracht; overdag zingt hij weinig. Bij de holte laten beide ouders een kort, hard tsjak horen. Het geluidsniveau van de hele soort ligt laag: op een winderige helling reikt de zang nauwelijks vijftig meter.

Luister: VluchtroepXC294915

Opname: Paul Marvin — CC BY-NC-SA 4.0 · Beartooth Pass area, Carbon County, Montana, United States · xeno-canto

Herkenning

Het mannetje is hemelsblauw van boven en lichtblauw van onderen, het blauwst op vleugel en staart, met wit op de onderbuik en onderstaartdekveren; roestbruin ontbreekt volledig. Het vrouwtje is grijsbruin met blauwe vleugels en staart, een lichte oogring en in vers najaarskleed een roodachtige waas op keel en borst die naar de flanken bruin wordt. De soort is slanker en langvleugeliger dan de andere sialia's, met een vleugel van rond de 11 centimeter, en houdt zich biddend boven het gras — een beeld dat geen andere sialia geeft.

Verwarrings­soorten

De blauwkeelsialia heeft altijd roestbruin op borst en flanken en een kortere vleugel; het mannetje is bovendien donkerder en dieper blauw. De oostelijke sialia heeft een oranje keel en borst. Vrouwtjes lijken het meest op elkaar: die van de bergsialia is killer grijs, zonder warme roestkleur op de borst, met een duidelijker witte oogring en een langere, spitsere vleugel. Waar beide voorkomen helpt het gedrag: biddend jagen boven open gras wijst op de bergsialia.

Leefgebied

Open, boomarm land op hoogte: sagebrush-steppe, kortgrasprairie, alpiene en subalpiene weide, bergweide en de randen van dennen- en sparrenbos, meestal tussen 1500 en 3500 meter. Hij broedt in holtes — spechtengaten, rotsspleten, holtes in aardwanden en nestkasten — en heeft daarnaast lage uitkijkposten en kort gras nodig. Brandvlaktes, kapvlaktes en begraasd weiland vallen daar allemaal onder. In de winter zoekt hij lager open land met jeneverbes en maretak.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Hij broedt van centraal Alaska, Yukon en de zuidelijke Northwest Territories door Brits-Columbia, Alberta, Saskatchewan en West-Manitoba naar het zuiden, over alle westelijke bergketens tot Arizona en New Mexico, en oostwaarts tot de Black Hills en de westelijke Great Plains. In Colorado, Utah, Nevada, Californië, Arizona en New Mexico broedt hij hoog en overwintert hij laag, zodat het jaarrond bezet gebied is. De winterverspreiding schuift naar Texas, Oklahoma en Kansas en naar de noordelijke Mexicaanse hoogvlakte, tot ongeveer Jalisco en Querétaro. Het aantal per winterplek wisselt sterk met de bessenoogst van jeneverbes.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in mei en juni op een sagebrush-vlakte of bergweide met paalrijen: mannetjes zitten op de paal of bidden een paar meter boven het gras, waardoor het blauw van bovenaf zichtbaar is. In de winter leveren jeneverbeshellingen van Arizona en New Mexico groepen op die soms tientallen vogels tellen.

Staat van instandhouding

Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldwijde broedpopulatie op 4,6 miljoen vogels; 80 procent brengt een deel van het jaar in de Verenigde Staten door, 20 procent broedt in Canada en 31 procent overwintert in Mexico. De Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laat tussen 1966 en 2014 een afname van ongeveer 26 procent zien. Het tekort aan nestholtes speelt daarbij een rol: verwijdering van dood hout, concurrentie met spreeuw en huismus en de teruggang van open sagebrush. Nestkastroutes in de Rocky Mountains en op de Canadese prairies vormen een groot deel van het huidige broedbestand.

Wetenschappelijke naam

Sialia currucoides | (Bechstein, 1798)

Bechstein beschreef de soort in 1798 als Motacilla s. Sylvia Currucoides; omdat ze later in Sialia werd geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam currucoides is gevormd uit curruca, de naam die Linnaeus aan de braamsluiper gaf, en het Oudgriekse achtervoegsel -oidēs 'gelijkend op' — dus 'braamsluiperachtig'. De opgegeven typelocatie luidt 'Virginien', maar wordt gelezen als het westen van Noord-Amerika, want in Virginia komt de soort niet voor.