Alle soorten › Zangvogels › Spotlijsters › Bergspotlijster

Bergspotlijster | Oreoscoptes montanus

Sage Thrasher | Cuitlacoche de las artemisas

De bergspotlijster is de kleinste spotlijster van Noord-Amerika en de enige soort van het geslacht Oreoscoptes. Hij is vrijwel volledig gebonden aan sagebrush (grijsgroen alsemstruweel van het droge westelijke binnenland)-steppe: waar de bijvoetstruik verdwijnt, verdwijnt de soort mee.

Bergspotlijster (Oreoscoptes montanus)
Foto: Peter Wallack, bewerking: Berichard — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een lange, doorlopende reeks zachte, warbelende zinnetjes zonder harde noten, gemiddeld ongeveer drie minuten lang; er is een aaneengesloten uitvoering van tweeëntwintig minuten vastgelegd. Hij bouwt de zang op uit herhaalde motieven en vlecht er nabootsingen van andere steppesoorten door. De roep is een kort, laag tsjoek en een schel tsjer.

Luister: ZangXC1007049

Opname: Ed Pandolfino — CC BY-NC-SA 4.0 · Sierrra Valley, Plumas County, California, United States · xeno-canto

Herkenning

Een kleine, kortstaartige spotlijster met een rechte, betrekkelijk korte snavel, en niet de gebogen dolk van Toxostoma. Boven grijsbruin, onder wit met scherpe, druppelvormige donkere strepen over borst en flanken. De staart heeft witte punten, de vleugel twee smalle witte streepjes. Het oog is citroengeel tot amberkleurig. Jonge vogels zijn valer en vager gestreept.

Verwarrings­soorten

Op afstand doet hij aan een kleine lijster denken, maar de heremietlijster heeft ronde in plaats van druppelvormige vlekken, een donker oog, geen witte staartpunten en leeft in bos. De spotlijster is groter, effen grijs en ongestreept, en toont in de vlucht grote witte vleugelvlakken. De andere spotlijsters van het westen zijn groter, veel langstaartiger en hebben een duidelijk gebogen snavel.

Leefgebied

Uitgestrekte sagebrush-steppe met hoge, oude bijvoetstruiken, waarin hij zijn napvormige nest van ongeveer tien centimeter hoog bouwt, en met genoeg open grond ertussen om op te foerageren. In versnipperde of jonge vegetatie broedt hij zelden. Buiten het broedseizoen gebruikt hij droge open terreinen met verspreide struiken, grasland en open pinyon (laaggroeiende den van de droge zuidwestelijke bergvoeten)-jeneverbesbos, tot in de Chihuahuawoestijn.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedvogel van het binnenland van het westen, van Zuid-Brits-Columbia en de uiterste zuidranden van Alberta en Saskatchewan zuidwaarts tot Noord-Arizona en Noord-New Mexico. Hij vertrekt in september en oktober en overwintert van Zuid-Nevada en Zuid-Californië over Arizona en New Mexico tot West-Texas, en verder zuidwaarts in Noord-Mexico tot ongeveer Durango en Zacatecas; ongeveer de helft van de populatie brengt de winter in Mexico door. De precieze verdeling over de Mexicaanse deelstaten is uit tekstbeschrijvingen afgeleid.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

In april en mei zingt het mannetje vanaf de top van een bijvoetstruik of een hekpaal, soms in een korte zangvlucht — dat is het moment waarop de soort in de wijde steppe het vaakst wordt waargenomen. Zoek langs zandwegen door oud, hoog sagebrush; in laag, recent afgebrand of door cheatgrass (ingevoerd eenjarig gras dat de alsemsteppe verdringt) overwoekerd terrein ontbreekt hij.

Staat van instandhouding

Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 5,9 miljoen vogels. De Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laat tussen 1966 en 2014 een afname van bijna 1,5 procent per jaar zien, samen ongeveer de helft van het bestand. De oorzaak ligt in het verlies van sagebrush-steppe door omzetting in akkerland, zware begrazing en bebouwing, en vooral in de opmars van cheatgrass, die de brandfrequentie zo verhoogt dat de bijvoet zich niet herstelt. In Washington is ongeveer de helft van het shrubsteppe verdwenen; in Canada resteren enkele tientallen volwassen vogels en geldt de soort als bedreigd.

Wetenschappelijke naam

Oreoscoptes montanus | (Townsend, 1837)

John Kirk Townsend beschreef de soort in 1837 als Orpheus montanus, naar materiaal van de 'plains of the Rocky Mountains' bij Sandy Creek in het huidige Wyoming; auteur en jaartal staan tussen haakjes, want de soort kwam later in een ander geslacht. Oreoscoptes komt van het Griekse oros 'berg' en skōptēs 'spotter'; montanus is Latijn voor 'van de bergen'. Beide namen wijzen op de hooggelegen vlakten van het Grote Bekken en niet op echt bergland, en de Nederlandse naam volgt daarin het Latijn. De Spaanse naam noemt juist de bijvoet (artemisa), de plant waaraan de soort gebonden is.