Alle soorten › Zangvogels › Spotlijsters › Roodbuikspotlijster

Roodbuikspotlijster | Toxostoma crissale

Crissal Thrasher | Cuitlacoche culirrojo

De roodbuikspotlijster is de donkerste en langstsnavelige spotlijster van het Amerikaanse zuidwesten, en tegelijk de soort van het geslacht die het minst vaak wordt gezien. Hij leeft in dicht mesquitestruweel langs droge beddingen, loopt meer dan hij vliegt en verraadt zich meestal alleen door zijn stem.

Roodbuikspotlijster (Toxostoma crissale)
Foto: Polinova — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een reeks korte, vloeiende zinnetjes die elk twee of drie keer worden herhaald, lager en gelijkmatiger van tempo dan bij de andere spotlijsters van de woestijn. De contactroep is een rollend, dalend tsjoedri-oe, meestal vanuit dekking. Mannetjes zingen niet alleen in het voorjaar maar ook in de winter en de nazomer, dan vanaf een hogere tak dan waar de vogel de rest van de dag zit.

Luister: ZangXC1080768

Opname: Scott Olmstead — CC BY-NC-SA 4.0 · Rock Corral Canyon, Santa Cruz County, Arizona, United States · xeno-canto

Herkenning

Een grote, effen grijsbruine zangvogel met een lange staart, lange poten en een lange, sterk naar beneden gebogen zwarte snavel. De onderdelen zijn ongestreept grijs; onder de staart ligt een scherp begrensd kastanjebruin veld, het crissum, dat de soort haar naam geeft. Over de wang loopt een witte baardstreep tussen twee donkere lijnen. Het oog is dofgeel tot bruin, niet oranjerood.

Verwarrings­soorten

De krombekspotlijster heeft een kortere, minder sterk gebogen snavel, een oranje oog, vage vlekken op de borst en geen kastanjebruin onder de staart. De langsnavelspotlijster heeft duidelijke strepen op de borst en een roestbruine rug. De woestijnspotlijster is veel bleker zandkleurig en leeft in open, vlakke woestijn met verspreide struiken. In het uiterste zuidoosten van Californië grenst het areaal aan dat van de Californische spotlijster, die warmer bruin is en onder de staart een vager, meer geleidelijk overlopend roestveld heeft.

Leefgebied

Dicht, hoog struweel in woestijngebied: mesquitebosjes langs droge beddingen, wilgen- en struikgordels langs arroyo (droge, steilwandige geul die alleen na regen water voert)'s, en op grotere hoogte struikeik, manzanita en de onderrand van pinyon (laaggroeiende den van de droge zuidwestelijke bergvoeten)-jeneverbesbos. Hij heeft dekking van ten minste manshoogte nodig en mijdt open, kale vlakten. Het voedsel — kevers, sprinkhanen, mieren, spinnen en af en toe een kleine hagedis — haalt hij bijna helemaal van de grond, door met de snavel in de strooisellaag te graven en bladeren en steentjes opzij te vegen; in de winter komen bessen van jeneverbes en andere struiken erbij.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel van zuidoostelijk Californië, uiterst zuidelijk Nevada en zuidwestelijk Utah, via Arizona en Zuid-New Mexico tot West-Texas, en zuidwaarts over de Mexicaanse hoogvlakte tot ongeveer Durango en Zacatecas. Er is geen trek; wel verplaatsen vogels zich lokaal tussen hoger en lager gelegen struweel. In Texas is het areaal beperkt tot de Trans-Pecos, met de Big Bend-regio als kerngebied.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Zoek langs een droge bedding met mesquite (doornige peulstruik van het zuidwesten, vormt dichte bosjes), kort na zonsopgang in februari of maart, wanneer de mannetjes vanaf een open tak zingen. Blijf staan en luister naar de rollende roep: de vogel loopt vaak op tien meter afstand door het struweel zonder zich te laten zien. Let bij een kort zicht eerst op de kromming van de snavel en pas daarna op het kastanjebruin onder de staart.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie wordt op ongeveer 110.000 vogels geschat, met het zwaartepunt in Mexico, en de soort staat als niet bedreigd (LC) te boek. Het struweel langs droge beddingen is in het zuidwesten wel sterk teruggelopen: grondwateronttrekking, begrazing en de omzetting van mesquitebosjes in akkerland en bebouwing hebben het geschikte oppervlak verkleind. Modellen voor klimaatverandering wijzen op een verdere verschuiving van dat oppervlak.

Wetenschappelijke naam

Toxostoma crissale | Henry, 1858

Thomas Charles Henry beschreef de soort in 1858 als Toxostoma crissalis; omdat Toxostoma onzijdig is, luidt de soortnaam nu crissale. Auteur en jaartal staan zonder haakjes, want het geslacht is niet veranderd. Toxostoma komt van het Griekse toxon 'boog' en stoma 'mond', naar de gebogen snavel; crissale verwijst naar het crissum, de veren rond de cloaca en onder de staart. De Nederlandse en de Spaanse naam wijzen op datzelfde roestbruine veld; cuitlacoche is het Nahuatl-woord dat in Mexico voor de spotlijsters wordt gebruikt.