Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Kolibries › Berylkolibrie

Berylkolibrie | Saucerottia beryllina

Berylline Hummingbird | Amazilia berilina

De berylkolibrie is een kolibrie van de Mexicaanse bergbossen die pas in 1964 voor het eerst boven de grens werd vastgesteld en sindsdien elke zomer in kleine aantallen in de canyons van zuidoost-Arizona opduikt. Hij valt op door de roestrode vlek in vleugel en staart, een kleur die verder bij weinig kolibries van dit werelddeel voorkomt. Anders dan bij de meeste kolibries lijken mannetje en vrouwtje sterk op elkaar.

Berylkolibrie (Saucerottia beryllina)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Zang in de gewone zin heeft hij niet: het mannetje herhaalt vanaf een kale tak een reeks hoge, ietwat schorre tjilpjes die meer aan een insect dan aan een vogel doen denken. De gewoonste roep is een harde, zoemende dzzzir of drrzzt, meestal afgegeven bij het wegjagen van een soortgenoot van een bloem. Duurt de achtervolging voort, dan wordt het een snel ratelend geknetter van lage, dicht opeengezette noten. Daarbij komt het mechanische gegons van de vleugels, dat bij deze vrij zware kolibrie laag en goed hoorbaar is en een naderende vogel vaak eerder verraadt dan zijn stem.

Luister: VluchtroepXC773205

Opname: Pritam Baruah — CC BY-NC-SA 4.0 · Panuco Road, Sinaloa, Mexico · xeno-canto

Herkenning

Kop, rug en stuit zijn bronsgroen tot koperkleurig, de onderdelen glanzend goudgroen; de staart is koperrood en de vleugel toont een roestrode vlek die in vlucht als een warme flits oplicht. Die glans is geen kleurstof maar interferentiekleur uit dunne laagjes in de veertjes: alleen bij licht van voren licht de vogel groen op, van opzij of in de schaduw lijkt hij dof en zwart. Mannetje en vrouwtje lijken sterk op elkaar, ongewoon voor een kolibrie; het vrouwtje heeft een grijzere keel en buik en een geheel donkere snavel, die van het mannetje is onderaan roze. Jonge vogels zijn doffer, met roestige randjes aan de kopveren.

Verwarrings­soorten

De yucatankolibrie (Amazilia yucatanensis) heeft dezelfde bouw en een even roodachtige staart, maar een lichtbruine buik in plaats van groene onderdelen, en leeft aan de Golfkust, ruim duizend kilometer verderop. De violetkruinkolibrie heeft zuiver witte onderdelen en een geheel koraalrode snavel. De breedsnavelkolibrie is donkerder, met blauwe keel en blauwzwarte staart zonder enig roest. Bij vrouwtjes en jonge vogels, die elkaar in dit geslacht sterk gelijken, blijft de roestrode vleugelvlek het enige houvast: geen andere kolibrie ten noorden van de grens heeft die.

Leefgebied

Open den-eikbos en eikenbos op de berghellingen, en vooral de schaduwrijke canyons met plataan, esdoorn en walnoot die daar doorheen snijden. In Mexico gaat hij lager, tot in droog doornbos, galerijbos, koffieplantages en dorpstuinen met bloeiende struiken. Hij mijdt gesloten vochtig hoogwoud en de open woestijnvlakte; wat hij zoekt is bosrand met bloei en een beek in de buurt. In Arizona zit hij vrijwel altijd tussen vijftienhonderd en tweeduizend meter hoogte.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel in het bergland van Mexico, van Sonora en westelijk Chihuahua zuidwaarts tot Chiapas, en in een daarvan gescheiden gebied van zuidelijk Guatemala over El Salvador tot in midden-Honduras. Hij trekt niet, maar vogels uit de hoogste zones zakken in de winter naar lagere hellingen. In 1964 werd de soort voor het eerst in de Verenigde Staten vastgesteld, in de bergen van zuidoost-Arizona; sindsdien verschijnt daar elke zomer een handvol vogels, waarvan er sommige broeden. Enkelingen bereiken zuidwest-New Mexico en west-Texas.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in juli en augustus in de canyons van de Huachuca- en Chiricahuabergen, bij de voederflessen van de bezoekerscentra of aan bloeiende agaven langs het pad. Let bij elke groene kolibrie op de vleugel op het moment dat hij wegdraait: de roestrode vlek houdt ook bij tegenlicht stand, terwijl de groene glans dan wegvalt.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie wordt op ongeveer twee miljoen volwassen vogels geschat en geldt als stabiel; de soort staat als niet bedreigd (LC) te boek. In Mexico profiteert hij van halfopen landschap met bloeiende struiken, ook rond dorpen en plantages. De Amerikaanse vogels zijn een handvol aan de uiterste rand van het areaal en leggen voor de soort als geheel geen gewicht in de schaal.

Wetenschappelijke naam

Saucerottia beryllina | (Deppe, 1830)

Wilhelm Deppe beschreef de soort in 1830 als Trochilus beryllinus, naar een exemplaar uit Mexico; omdat ze later in een ander geslacht is ondergebracht, staan auteur en jaartal tussen haakjes. beryllinus betekent 'als beryl', naar de bleekgroene edelsteen, en slaat op de glans van de onderdelen. Het geslacht Saucerottia werd in 1850 ingevoerd door Bonaparte; de naam gaat terug op de Franse arts en vogelkundige Antoine Constant Saucerotte, die in 1846 in de soortnaam van een verwante kolibrie was geëerd. In oudere boeken staat S. beryllina nog onder Amazilia.