Alle soorten › Hoenderachtigen › Fazantachtigen › Blauwe Pauw
Blauwe Pauw | Pavo cristatus
Indian Peafowl | Pavo Real Común
De blauwe pauw is de grootste hoendervogel die in Noord-Amerika in het wild rondloopt: het mannetje sleept een tot anderhalve meter lange staartsleep met zich mee, bezet met ogen van brons en blauw. De soort is hier geen jachtvogel maar een sierdier van oorspronkelijk Zuid-Azië, ontsnapt of losgelaten uit tuinen en dierentuinen, dat in delen van Florida en Californië op eigen kracht voortbestaat. Hij is een van de weinige uitheemse vogels van het continent die vrijwel uitsluitend rond de mens leeft.
Geluid
Vooral in de baltstijd, van februari tot april, en vaak vlak voor regen klinkt een luid, ver dragend miaauw of kie-au, meestal in reeksen van twee tot vier roepen herhaald vanaf een dak of een hoge tak, ochtend en avond. Bij onraad volgt een schor, kakelend alarm dat door de hele groep wordt overgenomen. Tijdens de staartshow trilt het mannetje de opgerichte veren, wat een laag, ratelend geluid geeft dat vooral van dichtbij hoorbaar is.
Opname: Uku Paal — CC BY-NC-SA 4.0 · Tissamaharama, Hambantota, Southern Province, Sri Lanka · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje heeft een metaalblauwe hals en borst, een groenbronzen rug en een grote sleep van bovenstaartdekveren, elk eindigend in een oogvlek van blauw en brons, die hij tijdens de balts tot een waaier opzet; op de kop staat een rechtopstaande kuif van draadachtige veertjes met kleine waaiertjes aan het eind. Het vrouwtje is veel kleiner en mist de sleep: bruingroen van boven, wittig van onder, met een kortere kuif. Jonge mannetjes lijken twee tot drie jaar lang op het vrouwtje voordat de volledige sleep is uitgegroeid. Verwilderde vogels zijn vaak wit of bont door kruising met sierrassen, maar de bouw en de kuif blijven hetzelfde.
Verwarringssoorten
Een wit exemplaar wordt weleens voor een zwaan aangezien, maar de kuif, de poten en de manier van lopen verraden meteen een hoenderachtige. De groene pauw (Pavo muticus) van Zuidoost-Azië, zelden als sierdier gehouden, heeft een groene in plaats van blauwe hals en een rechtopstaande in plaats van neerhangende kuif, maar komt in Noord-Amerika nauwelijks voor. Een jong mannetje zonder sleep wordt met de hen verward, maar heeft al de langere poten en sporen van het mannetje.
Leefgebied
Rond bebouwing: tuinen, parken, ranches en golfterreinen met hoge bomen om in te overnachten en gazon of open grond om op te foerageren. In Florida zijn de dichtste populaties te vinden in voorstadswijken met oude, hoge bomen, in Californië rond landgoederen in de heuvels bij Los Angeles. Van nature bewoont de soort open bos en struikgewas in Zuid-Azië; in Noord-Amerika komt hij vrijwel nergens buiten de directe omgeving van mensen voor.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
In Florida wordt de soort sinds de jaren vijftig in Orange County gemeld en is hij inmiddels in zeker twintig county's waargenomen, met bevestigd broedende populaties in onder meer Palm Beach County. In Californië gaat de bekendste populatie, rond de stad Arcadia bij Los Angeles, terug op vogels die begin twintigste eeuw van een landgoed ontsnapten; een tweede zit op het schiereiland Palos Verdes. Op Hawaï komen kleinere, verspreide groepen voor. Al deze populaties zijn het resultaat van herhaalde, ongeplande ontsnappingen en loslatingen, niet van één gerichte introductie.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in de vroege ochtend in de straten van een wijk met oude bomen in Zuid-Florida of in Arcadia, Californië: het luide geroep is van ver te horen en de vogels zelf zitten vaak op een dak of een omheining. Van februari tot april is de kans op een mannetje met volledig opgezette staartsleep het grootst.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC). De Noord-Amerikaanse populaties zijn plaatselijk en blijven grotendeels afhankelijk van steeds nieuwe ontsnappingen; als vaste bewoners van woonwijken veroorzaken ze soms geluids- en schadeklachten, waarna gemeenten vogels vangen en herplaatsen.
Wetenschappelijke naam
Pavo cristatus | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Pavo cristatus, in het geslacht waar ze nog steeds in staat; auteur en jaartal staan daarom zonder haakjes. Pavo is het gewone Latijnse woord voor pauw; cristatus betekent 'gekuifd', naar de kuif op de kop. De typelocatie luidde bij Linnaeus 'India orientali, Zeylona', Oost-Indië en Ceylon, en wordt tegenwoordig eenvoudig als India aangehouden.



