Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Bruinkapbergvink

Bruinkapbergvink | Leucosticte australis

Brown-capped Rosy-Finch | Pinzón montano coronipardo

De bruinkapbergvink is de zuidelijkste van de drie Noord-Amerikaanse bergvinken en heeft het kleinste areaal: vrijwel de hele populatie broedt boven de boomgrens in de hoge Rocky Mountains van Colorado, met uitlopers naar Zuidoost-Wyoming en Noord-New Mexico. Hij is egaal bruin over kop en lichaam en mist de grijze band op de achterkop van de andere twee.

Bruinkapbergvink (Leucosticte australis)
Foto: Ron Knight — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een laag, licht schor tsjew, in de vlucht herhaald en bij een zwerm samensmeltend tot een aanhoudend geroezemoes over het sneeuwveld. De zang bestaat uit een tragere, gelijkmatige reeks van dezelfde nootjes zonder duidelijke opbouw, gebracht vanaf een rotsblok of in een korte vlucht. In gemengde winterzwermen is het geluid geen hulp bij de determinatie, omdat de drie bergvinken onderling nauwelijks te scheiden roepen hebben.

Luister: RoepXC469181

Opname: Ross Gallardy — CC BY-NC-SA 4.0 · Crested Butte, Gunnison County, Colorado, United States · xeno-canto

Herkenning

Een gedrongen vink met een lange, gevorkte staart en korte zwarte poten. Kop, rug en borst zijn warm bruin; de voorkruin is zwart of grijsbruin, maar de achterkop is bruin zonder grijze band. Buik, stuit, vleugelboeg en staartbasis zijn roze overwaasd, bij het mannetje veel sterker dan bij het vrouwtje; van de drie soorten is deze gemiddeld het uitgebreidst roze op de onderdelen. De snavel is geel in de winter en zwart in de broedtijd.

Verwarrings­soorten

Het beslissende kenmerk tegenover de grijskruinbergvink en de zwarte bergvink is de kop: die twee hebben een zilvergrijze band over de achterkop, deze soort niet. De grijskruinbergvink is verder bruin als deze soort, de zwarte bergvink zwart op rug en borst. Beoordeel in een winterzwerm aan een voederplaats elke vogel op de achterkop in plaats van op de algemene kleur. Het vrouwtje is doffer en grijzer en kan dan op een vrouwtjes-grijskruinbergvink lijken; ook daar geeft de effen bruine achterkop de doorslag.

Leefgebied

Alpiene toendra, steenpuin, kliffen en blijvende sneeuwvelden boven de boomgrens, in Colorado meestal boven 3400 meter, met nesten in rotsspleten en onder blokken. Voedsel zijn zaden van alpiene kruiden en insecten die met de opstijgende wind op de sneeuw belanden. In de winter zakt de soort naar valleien en dalranden met dennenbos, open weiland en dorpen, waar zwermen zich rond voederplaatsen verzamelen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het broedareaal beslaat de hoge ketens van Centraal-Colorado — de Front Range, de Sawatch, de Sangre de Cristo en de San Juan Mountains — met daarnaast de Snowy Range en Medicine Bow in Zuidoost-Wyoming en enkele toppen in Noord-Centraal-New Mexico. Het is daarmee een van de kleinste broedarealen van een Noord-Amerikaanse zangvogel. In de winter blijft de soort grotendeels binnen datzelfde gebied maar op lagere hoogte; de zwermen bij Sandia Crest in New Mexico zijn de zuidelijkste vaste wintergroepen.

  • Jaarrond
  • Winter
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

In de winter is Sandia Crest bij Albuquerque de plek met de meest geconcentreerde zwermen, meestal van november tot maart en vaak samen met de andere twee bergvinken. In de zomer vraagt de soort een tocht boven de boomgrens: langs de Trail Ridge Road in Rocky Mountain National Park of op Mount Evans zijn de vogels in juni en juli aan de rand van sneeuwvelden te zien. Kijk naar de achterkop en niet naar de algemene kleur.

Staat van instandhouding

De soort staat op de Rode Lijst als bedreigd (EN), vooral vanwege het kleine, versnipperde areaal. Een Colorado-brede telling uit 2023 kwam uit op 115.000 tot 150.000 vogels, ruim drie keer zo veel als de schatting uit 2016, wat vooral laat zien hoe onzeker de eerdere cijfers waren. Modellen van het Audubon-klimaatonderzoek uit 2019 voorzien dat bij twee graden opwarming vrijwel al het geschikte broedgebied verdwijnt, doordat de alpiene zone van de Colorado-toppen niet verder omhoog kan. Wintertellingen en ringwerk bij voederplaatsen leveren het meeste van wat over de aantallen bekend is.

Wetenschappelijke naam

Leucosticte australis | Ridgway, 1874

Ridgway beschreef de vogel in 1874 als Leucosticte tephrocotis, var. australis, dus als variëteit van de grijskruinbergvink, naar een exemplaar van Mount Lincoln in Colorado; omdat het geslacht sindsdien niet veranderde, staan auteur en jaartal zonder haakjes. Leucosticte komt van het Griekse leukos 'wit' en stiktos 'gespikkeld'. De soortnaam australis is Latijn voor 'zuidelijk', naar de ligging van het areaal ten opzichte van de andere bergvinken. Tussen 1983 en 1993 werden de drie soorten als één behandeld.