Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Zwarte bergvink
Zwarte bergvink | Leucosticte atrata
Black Rosy-Finch | Pinzón montano negro
De zwarte bergvink is de donkerste van de drie Noord-Amerikaanse bergvinken: zwart op kop, rug en borst, met een grijze band over de achterkop en roze op buik, stuit en vleugels. Hij broedt op kale toppen en steenpuinhellingen van het noordelijke Grote Bekken en de aangrenzende Rocky Mountains, van Noordoost-Nevada tot Zuidwest-Montana.
Geluid
Het stemgeluid is beperkt tot een laag, wat schor tsjew, dat in de vlucht herhaald wordt en bij een zwerm tot een ononderbroken geroezemoes wordt. De zang is niet meer dan een tragere, gelijkmatige reeks van diezelfde roepnoten, zonder vaste opbouw, en wordt vanaf een rots of tijdens een korte vlucht boven het sneeuwveld gebracht. De roep is in het veld niet te onderscheiden van die van de andere twee bergvinken, zodat een gemengde winterzwerm alleen op het oog uit elkaar te halen is.
Opname: Bill Pyle — CC BY-NC-SA 4.0 · Steens Mountain, East Rim Overlook, Harney Co., Oregon, United States · xeno-canto
Herkenning
Een gedrongen vink met een lange, gevorkte staart en korte zwarte poten. Het mannetje heeft een zwarte kop, rug en borst, een zwarte voorkruin en daarachter een zilvergrijze band over de achterkop, en roze op buik, stuit, vleugelboeg en staartbasis. Het vrouwtje is dezelfde vogel in een grijzer, doffer pak, met veel minder roze. De snavel is geel in de winter en zwart in de broedtijd. In de vlucht valt het roze in de vleugel op tegen het verder bijna egaal donkere lichaam.
Verwarringssoorten
De grijskruinbergvink, waarmee hij 's winters in dezelfde zwerm zit, heeft dezelfde grijze achterkop maar een duidelijk bruine rug en borst; het onderscheid zit dus in de romp, niet in de kop. De bruinkapbergvink is bruin en mist de grijze band op de achterkop. Bij tegenlicht lijken alle drie donker: wacht op een vogel die zich draait, en beoordeel dan of de rug zwart dan wel bruin oogt. Een verdwaalde zwarte vink met roze vleugel is in het broedgebied vrijwel altijd deze soort, want de andere twee broeden er niet of nauwelijks.
Leefgebied
Alpiene toendra, rotspuin, kliffen en sneeuwvelden boven de boomgrens, meestal boven 3000 meter, waar hij insecten van de sneeuw pikt en zaden van alpiene kruiden zoekt. Genesteld wordt in spleten van rotswanden en in oude mijngangen en gebouwen. In de winter zakt hij naar de hoge valleien, open weiland en wegbermen, vaak in grote zwermen, en hij bezoekt dan voederplaatsen bij skidorpen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied ligt op de hoge bergketens van het noordelijke Grote Bekken en de aangrenzende Rockies: van Noordoost-Nevada door Utah, Idaho en West-Wyoming tot Zuidwest-Montana, met een buitenpost in Oost-Oregon. In de winter verlaat de soort de toppen en verzamelt ze zich in de valleien van hetzelfde gebied, met een uitloper naar Colorado, Noord-New Mexico en Noord-Arizona, waar de zwermen zich met de andere twee bergvinken mengen. Het gebied is klein en lastig te volgen doordat de vogels van winter tot winter van plek wisselen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Van december tot maart geven de voederplaatsen in de Wasatch bij Salt Lake City en bij Sandia Crest in New Mexico de grootste kans; daar zijn de drie bergvinken vaak in één zwerm aan te treffen en van dichtbij te vergelijken. In de zomer vraagt de soort een klim boven 3000 meter: zoek in de Ruby Mountains of op het Beartooth Plateau langs de rand van een smeltend sneeuwveld.
Staat van instandhouding
De soort staat op de Rode Lijst als bedreigd (EN). De populatie wordt op ruwweg 120.000 vogels geschat, maar die schatting berust op weinig gegevens: het broedgebied ligt boven de boomgrens, buiten alle routetellingen, en in de winter zwerven de vogels. Het areaal bestaat uit losse bergtoppen die bij opwarming niet naar boven kunnen uitwijken; modellen voorzien een sterke krimp van het geschikte alpiene gebied. Wintertellingen en het ringen bij voederplaatsen zijn de belangrijkste bron waaruit de trend wordt afgeleid.
Wetenschappelijke naam
Leucosticte atrata | Ridgway, 1874
Ridgway beschreef de soort in 1874 naar een exemplaar uit Canon City, Colorado, meteen in het geslacht Leucosticte; auteur en jaartal staan daarom zonder haakjes. Leucosticte komt van het Griekse leukos 'wit' en stiktos 'gespikkeld'. De soortnaam atrata is Latijn voor 'in het zwart gekleed', bij ater 'zwart', naar het verenkleed van het mannetje. Tussen 1983 en 1993 werd hij samen met de grijskruin- en de bruinkapbergvink als één soort behandeld; sindsdien gelden ze weer als drie.





