Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Grijskruinbergvink
Grijskruinbergvink | Leucosticte tephrocotis
Gray-crowned Rosy-Finch | Pinzón montano nuquigrís
De grijskruinbergvink is de wijdst verbreide van de drie Noord-Amerikaanse bergvinken: een bruine vink met een zwarte voorkruin, een grijze achterkop en roze op buik, stuit en vleugels. Hij broedt hoger dan enige andere Noord-Amerikaanse zangvogel, tot op de sneeuwvelden van Denali, en op de kale eilanden van de Beringzee tot aan zeeniveau.
Geluid
De roep is een laag, licht schor tsjew, dat in een vliegende zwerm tot een aanhoudend geroezemoes samensmelt en het eerste teken is van een groep die over een sneeuwveld aankomt. De zang bestaat uit een reeks van diezelfde nootjes, trager en gelijkmatiger achter elkaar, zonder duidelijke opbouw of slot; hij wordt zowel vanaf een rotsblok als in de vlucht gebracht. Nestjongen roepen een dun, hoog gepiep vanuit de rotsspleet, hoorbaar als je vlak langs de nestplaats loopt.
Opname: Yoann Blanchon — CC BY-NC-SA 4.0 · Fishhook, Matanuska-Susitna Borough, Alaska, United States · xeno-canto
Herkenning
Een gedrongen vink met een lange, licht gevorkte staart en korte zwarte poten. Kop en borst zijn warm bruin, de voorkruin zwart en de achterkop en zijkop askleurig grijs; buik, stuit, vleugelboeg en staartbasis zijn met roze overwaasd, bij het mannetje sterker dan bij het vrouwtje. De snavel is geel in de winter en zwart in de broedtijd. De vorm van de Aleoeten en de Pribilofeilanden is groter en donkerder dan de vastelandvogels; de vorm van de kustbergen ('hepburns') heeft de hele zijkop grijs in plaats van alleen de achterkop.
Verwarringssoorten
De zwarte bergvink heeft een zwart, niet bruin, lichaam met dezelfde grijze achterkop; het verschil is bij gemengde winterzwermen aan de romp te zien en niet aan de kop. De bruinkapbergvink mist het grijs op de achterkop en is over kop en lichaam egaal bruin. Bekijk bij een zwerm aan een voederplaats per vogel de rug en de zijkop, want alle drie vliegen in de winter door elkaar. Het vrouwtje van de Mexicaanse roodmus is gestreept op de onderdelen en mist elk roze op de vleugel.
Leefgebied
Alpiene toendra, steenpuinhellingen, sneeuwvelden en gletsjervoorland boven de boomgrens, en op de eilanden van de Beringzee rotskusten, kliffen en toendra tot vlak boven de vloedlijn. Genesteld wordt in rotsspleten, onder blokken en in gebouwen of mijngangen. In de winter zakt de soort naar open valleien, wegbermen, veeweiden en dorpen, waar voederplaatsen grote zwermen kunnen vasthouden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Van de Brooks Range en de Aleoeten door Zuid-Alaska, Yukon en de Northwest Territories naar de bergen van Brits-Columbia en Alberta, en zuidwaarts door de Cascades, de Sierra Nevada, de Blue Mountains van Oregon en de noordelijke Rocky Mountains tot Montana, Idaho en Noordoost-Nevada. De vogels van de eilanden in de Beringzee blijven het hele jaar; de vastelandvogels zakken in de winter alleen in hoogte en trekken deels naar het zuiden, tot Utah, Colorado en Noord-New Mexico. In afzonderlijke winters bereiken kleine groepen de westelijke Great Plains.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In de zomer is een pas of top boven de boomgrens de plek: zoek de rand van een smeltend sneeuwveld, waar de vogels opgewaaide insecten van de sneeuw oppikken. In de winter is een voederplaats bij een skigebied in de Rocky Mountains of de Wasatch de betrouwbaarste kans, meestal tussen december en maart en vaak samen met de andere twee bergvinken; kijk dan per vogel naar de kleur van de rug.
Staat van instandhouding
De soort staat als niet bedreigd (LC) te boek; Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 200.000 vogels en rekent de soort tot de lage zorgcategorie. Omdat het broedgebied hoog en afgelegen ligt, wordt het door de gewone routetellingen nauwelijks gedekt en berust wat over de trend bekend is vooral op wintertellingen. Het opschuiven van de boomgrens en het korter worden van de sneeuwbedekking op hoogte gelden als de belangrijkste druk; het alpiene broedgebied kan niet verder omhoog uitwijken.
Wetenschappelijke naam
Leucosticte tephrocotis | (Swainson, 1832)
Swainson beschreef de soort in 1832 als Linaria (Leucosticte) tephrocotis, naar een exemplaar bij Carlton House aan de Saskatchewan; omdat hij Leucosticte toen nog als ondergeslacht van Linaria voerde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Leucosticte komt van het Griekse leukos 'wit' en stiktos 'gespikkeld', naar de lichte spikkeling in het verenkleed. De soortnaam tephrocotis is Grieks voor 'met asgrijze oren', naar de grijze zijkop. Tussen 1983 en 1993 werden de drie bergvinken van het vasteland als één soort beschouwd; sindsdien worden ze weer apart gehouden.






