Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Goudvink

Goudvink | Pyrrhula pyrrhula

Eurasian Bullfinch | Camachuelo común

De goudvink is een Euraziatische vink met een zwarte kap, een dikke zwarte snavel en een witte stuit die bij het wegvliegen oplicht. In dit gidsgebied is hij een dwaalgast: de meldingen komen vrijwel alleen uit West-Alaska, met het zwaartepunt in het voorjaar op de westelijke Aleoeten.

Goudvink (Pyrrhula pyrrhula)
Foto: Francis C. Franklin — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een zacht, laag en gerekt gefloten pjuu, met een licht klagende toon, dat vaak het eerste teken van de vogel is en over een behoorlijke afstand draagt. De zang is een zwak, krassend gekweel afgewisseld met zachte fluittonen, zo stil dat hij alleen van dichtbij te horen is. De Siberische vorm die Alaska bereikt heeft een afwijkende, luidere en meer trompetachtige roep, die in het veld op de herkomst wijst. Gekooide goudvinken kunnen aangeleerde melodieën nafluiten.

Luister: ZangXC1168308

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Kuusamo - Konttainen, Finland · xeno-canto

Herkenning

Een compacte, dikhalzige vink met een korte, hoge, zwarte snavel, een zwarte kap die tot onder het oog doorloopt, en zwarte vleugels en staart. Het mannetje heeft een heldere baksteenrode borst en buik, het vrouwtje dezelfde tekening maar met grijsbruine onderdelen. Beide hebben een grijze rug, een brede lichte vleugelstreep en een scherp afgetekende witte stuit die tegen de zwarte staart contrasteert. De jonge vogel mist de zwarte kap. De Siberische vogels in Alaska zijn groter en bleker dan de Europese.

Verwarrings­soorten

Binnen dit gidsgebied is er geen soort met dezelfde combinatie van zwarte kap, dikke stompe snavel en witte stuit. De Mexicaanse roodmus en de Amerikaanse roodmus zijn roder over kop en rug, hebben een gestreepte flank en missen zowel de zwarte kap als de witte stuit. De haakbek is veel groter, heeft witte vleugelbanden en een gehaakte snavelpunt. Bij een wegvliegende vogel is het witte stuitvlak boven de effen zwarte staart het beslissende kenmerk.

Leefgebied

In het Euraziatische broedgebied gemengd bos met een aandeel naaldhout, bosranden, struweel, parken, tuinen en boomgaarden; hij eet zaden, bessen en in het voorjaar knoppen van vruchtbomen. De dwaalgasten in Alaska worden aangetroffen in laag kustkreupelhout, wilgenstruweel en rond bebouwing op de eilanden, waar hoog opgaand bos ontbreekt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het areaal loopt van de Britse Eilanden en Iberië door heel Europa en de taigagordel tot Kamtsjatka en Japan. De zuidelijke populaties zijn standvogel; noordelijke en Siberische vogels trekken in wisselende aantallen naar het zuiden, en juist die bewegingen leveren af en toe een vogel op aan de Amerikaanse kant van de Beringzee. De eerste melding voor het gidsgebied kwam in januari 1867 van de Yukon bij Nulato; latere waarnemingen betreffen vooral het voorjaar op de westelijke Aleoeten, met enkele gevallen op de Pribilofeilanden en op het vasteland van Alaska. Buiten Alaska is de soort in Noord-Amerika niet gevestigd.

Waar en wanneer kijken

De kans doet zich vrijwel alleen voor in mei op de westelijke Aleoeten of op St. Paul, in een jaar met aanhoudende westenwind. Luister eerst: de zachte gefloten pjuu uit een wilgenstruik gaat aan het zicht vooraf. Let bij een korte waarneming op de witte stuit, want kleur en kaptekening zijn bij een wegduikende vogel vaak niet te zien.

Staat van instandhouding

Wereldwijd staat de soort als niet bedreigd (LC) te boek, met een populatie in de tientallen miljoenen over Europa en Azië. In West-Europa namen de aantallen in de tweede helft van de twintigste eeuw af, wat in verband is gebracht met het verdwijnen van struweel en houtwallen in agrarisch gebied; in delen van het areaal is de afname sindsdien gestopt. Voor Noord-Amerika is er geen instandhoudingsvraagstuk: het gaat om enkele vogels per decennium en er is geen broedpopulatie.

Wetenschappelijke naam

Pyrrhula pyrrhula | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Loxia Pyrrhula, met Europa als typegebied; door de latere verhuizing naar een eigen geslacht staan auteur en jaartal tussen haakjes. Pyrrhula gaat terug op het Griekse pyrrhoulas, een vogelnaam bij Aristoteles, afgeleid van pyrrhos 'vuurkleurig' bij pyr 'vuur', naar de rode onderdelen van het mannetje; de naam is in de wetenschappelijke naam verdubbeld tot geslachts- en soortnaam. Het Engelse bullfinch verwijst naar de zware, stierachtige kop-en-halsvorm. Het Nederlandse goud- slaat niet op de kleur van deze vogel, die rood is, maar is als voorvoegsel bij vinkennamen overgeleverd.