Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Haakbek

Haakbek | Pinicola enucleator

Pine Grosbeak | Camachuelo picogrueso

De haakbek is de grootste vink van Noord-Amerika: een zware, traag bewegende boreale vogel met een korte, sterk gebogen snavel en twee witte vleugelstrepen. Hij bewoont naaldbos van Alaska tot Newfoundland en de westelijke bergen tot in Californië en New Mexico, en verschijnt in sommige winters in kleine zwermen ver ten zuiden van dat gebied.

Haakbek (Pinicola enucleator)
Foto: 72426950scott — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De contactroep is een helder gefloten pjoe-pjoe-pjoe van drie of vier tonen, vaak van een groepje dat over het bos trekt, en een tweelettergrepig tsjie-vlie. De zang is een korte, kwelende reeks fluittonen in een dalende lijn, zachter en ronder dan die van een kruisbek. De roep verschilt meetbaar tussen populaties: onderzoekers onderscheiden meerdere roeptypen, die bij elkaar horende groepen door de winter heen aan elkaar binden. Bij het eten in een lijsterbes is de vogel vrijwel zwijgzaam.

Luister: VluchtroepXC1014524

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Le Fjord-du-Saguenay Regional County Municipality (near Saint-Fulgence), Saguenay–Lac-Saint-Jean, Quebec, Canada · xeno-canto

Herkenning

Een dikke, langgestaarte vink ter grootte van een merel, met een ronde kop en een korte, bolle snavel waarvan de bovensnavel aan de punt omlaag haakt. Het mannetje is rozerood op kop, rug en stuit, met grijze flanken en buik en zwarte vleugels met twee witte banden. Het vrouwtje en de jonge vogel zijn grijs met een olijfgele of roestige kop en stuit, en dezelfde vleugeltekening. De staart is lang en licht gevorkt. De vogel beweegt zich langzaam en laat waarnemers dicht naderen.

Verwarrings­soorten

De kruisbek en de witbandkruisbek zijn duidelijk kleiner en hebben een gekruiste snavelpunt; de witbandkruisbek heeft ook witte vleugelbanden, maar is korter van staart en heeft gestreepte onderstaartdekveren. De Mexicaanse, de Amerikaanse en de Cassins roodmus zijn half zo groot, hebben een rechte kegelsnavel en bij het vrouwtje een gestreepte borst, die de haakbek juist effen grijs heeft. Het beste kenmerk blijft de combinatie van formaat, de gehaakte snavelpunt en de effen grijze onderdelen.

Leefgebied

Open naaldbos met spar, den en lariks, tot aan de boomgrens; in het westen subalpien bos van engelmannspar, lodgepolepijn en rode zilverspar boven ongeveer 1800 meter. In de winter verlaat hij het gesloten bos en zoekt hij bomen met blijvende vruchten: lijsterbes, sierappel, es en esdoorn, ook in dorpen, parken en langs wegen. Voederplaatsen met zonnebloempitten worden dan bezocht.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Circumboreaal: van Scandinavië door Siberië tot Kamtsjatka, en in Noord-Amerika van West-Alaska door heel boreaal Canada tot Newfoundland. Naar het zuiden volgt het areaal de bergen: de Cascades en de Sierra Nevada tot in Centraal-Californië, de Rocky Mountains tot Noord-New Mexico, en in het oosten Noord-New England en de Adirondacks. De soort trekt niet in de gewone zin, maar zwerft: in jaren met een slechte zaad- en vruchtoogst in het noorden komen zwermen tot in het noordelijke Midwesten en het noordoosten van de Verenigde Staten, en blijven ze in andere winters vrijwel geheel weg.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek in november tot maart een rij lijsterbessen of sierappels in een dorp aan de rand van het boreale bos en let op stilzittende, zware vogels die de vruchten leegpellen en de schil laten vallen. De gefloten drietonige roep boven je hoofd verraadt een overtrekkende groep eerder dan het oog. Doordat de vogels nauwelijks wegvliegen is dit een van de weinige vinken die je op een paar meter kunt bekijken.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie wordt door Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) op ongeveer elf miljoen vogels geschat en de soort staat als niet bedreigd (LC) te boek. Doordat het broedgebied grotendeels buiten het bereik van de tellingen ligt en de aantallen per winter sterk wisselen, is de trend slecht te meten; de Noord-Amerikaanse wintertellingen wijzen op een afname in het zuidelijke deel van het areaal. Opwarming en het opschuiven van de boomgrens gelden als het belangrijkste langetermijnknelpunt voor de boreale en subalpiene bossen waarvan de soort afhangt.

Wetenschappelijke naam

Pinicola enucleator | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Loxia enucleator, naar een exemplaar uit Zweden; omdat ze later naar een ander geslacht verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pinicola werd in 1808 ingevoerd door Vieillot, uit het Latijnse pinus 'den' en colere 'bewonen': 'dennenbewoner'. De soortnaam enucleator komt van het Latijnse enucleare 'de pit uithalen', naar de manier waarop de vogel zaden en vruchten pelt. De Nederlandse naam verwijst naar de haak aan de punt van de bovensnavel; het Engelse grosbeak gaat terug op het Franse grosbec 'dikke snavel'.