Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Hawaii-akepa
Hawaii-akepa | Loxops coccineus
Hawaii Akepa | Akepa de Hawái
De hawaii-akepa is de kleinste honingkruiper van het eiland Hawaï: een vogel van tien centimeter waarvan het mannetje egaal oranje is. Hij is de enige vogel van de archipel die uitsluitend in boomholten broedt, en daarmee gebonden aan oude, holle ohia- en koabomen.
Geluid
De zang is een golvende triller die van toonhoogte verandert en afwisselend versnelt en vertraagt, meestal enkele seconden aangehouden. De roep is een zacht, tweelettergrepig ti-del-ie, dat beide geslachten tijdens het foerageren voortdurend laten horen — vaak het eerste teken dat er een groepje in de kruin zit. De zang draagt slecht en verdwijnt bij wind in het ruisen van het bos.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Ongeveer tien centimeter, iets kleiner dan de hawaiikruiper. Het volwassen mannetje is helder oranje met donkere vleugels en staart; die kleur wordt pas in het derde levensjaar bereikt, zodat jonge mannetjes vlekkerig oranje, geel en vermiljoen zijn. Het vrouwtje is donker grijsgroen van boven en bleker grijs van onderen, met een wisselend oranje waas over de borst. De snavel is piepklein en licht gekruist; de staart is betrekkelijk lang en aan de punt ingekeept.
Verwarringssoorten
De hawaiikruiper is groter, heeft een grijze keel, een scherp zwart masker en een duidelijk langere snavel, en klimt langs stammen. De hawaii-amakihi heeft een langere, gebogen snavel en een rechte staart en is geler van onderen. Bij vrouwtjes en jonge vogels is de combinatie van piepkleine snavel en lange ingekeepte staart het bruikbaarste kenmerk; de gekruiste snavelpunten zijn in het veld vrijwel nooit te zien.
Leefgebied
Oud, gesloten bergbos van ohia en koa boven ruwweg twaalfhonderd meter, waar overdracht van vogelmalaria en vogelpokken beperkt blijft. De vogel blijft hoog in het kronendak en wrikt bladknoppen open om rupsen en andere insecten te bemachtigen. Voor het nest zijn van nature ontstane holten in dikke stammen en takken nodig, die alleen oude bomen leveren; jong herstelbos biedt die niet, ook als het verder geschikt is.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Alleen op het eiland Hawaï, met drie resterende populaties: het Hakalau Forest National Wildlife Refuge aan de Hamakua-kust, de hooggelegen bossen van Kaʻū in het zuiden en de noordhelling van Hualalai, waar de soort mogelijk is verdwenen. Rond 2000 werd de populatie op ongeveer veertienduizend vogels geschat. In Hakalau was hij over 1987–2024 de enige inheemse bosvogel met een afname in alle onderzochte bosdelen en hoogtezones.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Hakalau Forest is de betrouwbaarste plek, bereikbaar via een onverharde bergweg of met een vergunninghoudende gids. Zoek in de ochtend in de kronen van oude koa en ohia en laat je leiden door de zachte ti-del-ie-roepjes. Een oranje vogel in het kronendak is zonder meer het mannetje; voor vrouwtjes loont het om op de ingekeepte staart en het ontbreken van een masker te letten.
Staat van instandhouding
De soort staat als bedreigd op de Rode Lijst en heeft sinds 1975 federale bescherming. Ziekte via ingevoerde muggen is de belangrijkste druk, maar het gebrek aan holle bomen speelt evenzeer: kap en begrazing in de negentiende en twintigste eeuw namen juist de oude stammen weg, en herstelbos levert pas over lange tijd nieuwe holten. Predatie door ratten op eieren en jongen komt daarbij. In Hakalau ging het aantal ondanks omheining en herplant terug, terwijl de hawaiikruiper er stabiel bleef.
Wetenschappelijke naam
Loxops coccineus | (Gmelin, 1789)
Johann Friedrich Gmelin beschreef de soort in 1789 als Fringilla coccinea, naar materiaal van de reizen van James Cook; omdat ze later in een ander geslacht werd geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam coccineus is Latijn voor 'scharlakenrood', naar het verenkleed van het mannetje. Het geslacht Loxops werd in 1847 ingevoerd door Jean Cabanis, uit het Griekse loxos 'schuin' en ops 'gezicht', naar de zijwaarts gekruiste snavelpunten. ʻĀkepa is de Hawaiiaanse naam van de vogel.
