Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › ʻAkekeʻe
ʻAkekeʻe | Loxops caeruleirostris
ʻAkekeʻe | ʻAkepa de Kauaʻi
De ʻakekeʻe is een kleine groengele honingkruiper van het natte bergbos van Kauaʻi, met een blauwgrijze snavel waarvan de punten zijwaarts langs elkaar schuiven. Van alle vogels in deze gids heeft hij een van de kleinste overgebleven populaties: de aantallen namen in twee decennia met meer dan negentig procent af.
Geluid
De zang is een golvende triller van een à twee seconden die in snelheid en toonhoogte verandert — eerst versnellend en oplopend, daarna weer afzwakkend. De roep is een zacht, opgetrokken soe-wiet, dat de vogel tijdens het foerageren regelmatig laat horen. In het natte bos van het Alakai draagt het geluid slecht, en bij mist of wind is de soort vrijwel niet op te merken.
Opname: Ross Gallardy — CC BY-NC-SA 4.0 · Alaka'i Swamp trail, Kaua'i, Hawaii , United States · xeno-canto
Herkenning
Tien tot elf centimeter. Groengeel, met een gele kruin en keel en een zwart masker rond het oog dat bij het mannetje het scherpst is; het vrouwtje is groener en doffer. De snavel is kort en kegelvormig, blauwgrijs, met de punt van de ondersnavel naar één kant verbogen — een kenmerk dat alleen van dichtbij te zien is. De staart is lang voor het formaat, gevorkt en aan de punt ingekeept.
Verwarringssoorten
De Kauaʻi-ʻamakihi, die in hetzelfde bos leeft, heeft een lange, bleke, sterk gebogen snavel, geen gele kruin en een rechte staart, en werkt langs stammen en dikke takken; de ʻakekeʻe blijft aan de buitenste bladbosjes van de ʻohiʻa. De ʻanianiau is kleiner, effen helder geel zonder zwart masker en heeft een korte, licht gebogen snavel. De gekruiste snavelpunten zijn feitelijk het beste kenmerk, maar in het veld zelden zichtbaar.
Leefgebied
Nat inheems bergbos waarin ʻohiʻa overheerst, boven zeshonderd meter en het dichtst bevolkt boven elfhonderd meter, waar de muggendruk het laagst is. De vogel foerageert vrijwel uitsluitend aan de uiteinden van takken: hij wrikt met de snavel bladknoppen en bloemknoppen van de ʻohiʻa open en haalt er spinnen, bladvlooien en rupsen uit. Voor dat voedsel is een ongestoord inheems kronendak nodig; aanplant en secundair bos leveren het niet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Alleen op Kauaʻi, en daar nu beperkt tot het Alakai-wildernisgebied, Kokee State Park en Waimea Canyon State Park. De schattingen liepen van minder dan vijfduizend vogels in 2012 naar minder dan duizend in 2016 en minder dan zeshonderdveertig in 2021; recentere tellingen komen op minder dan honderd vogels in het wild. De afname bedraagt ongeveer eenentwintig procent per jaar, waarmee de resterende kernen klein en versnipperd zijn.
- Jaarrond
Waar en wanneer kijken
De kans op een waarneming is klein; de Pihea Trail en de Alakai Swamp Trail bij Kokee zijn de enige plekken waar het nog gebeurt. Ga bij droog, helder weer in de vroege ochtend en let op de golvende triller, want het uiterlijk is op afstand nauwelijks van de Kauaʻi-ʻamakihi te scheiden. Kijk naar de foerageerplaats: buitenste bladbosjes wijzen op deze soort, een stam op de ʻamakihi.
Staat van instandhouding
De soort staat als ernstig bedreigd (CR) op de Rode Lijst en is federaal en op staatsniveau beschermd. Vogelmalaria via de ingevoerde huissteekmug is de bepalende factor: doordat het klimaat opwarmt, komen muggen steeds hoger in het Alakai, waar de vogel geen hoger, ziektevrij bos meer boven zich heeft. Daarnaast spelen predatie door ratten, aantasting van het bos door zwijnen en geiten en invasieve planten. In 2025 begon op Kauaʻi het uitzetten van steriele mannetjesmuggen om de overdracht te onderbreken; daarnaast zijn vogels in gevangenschap gebracht om een reservepopulatie op te bouwen.
Wetenschappelijke naam
Loxops caeruleirostris | (Wilson, 1890)
Scott Barchard Wilson beschreef de soort in 1890 als Chrysomitridops caeruleirostris; omdat ze later in een ander geslacht werd geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam is Latijn: caeruleus 'blauw' en rostrum 'snavel', dus 'met de blauwe snavel', het kenmerk dat hem van de ʻakepa's op de andere eilanden scheidt. Het geslacht Loxops werd in 1847 ingevoerd door Jean Cabanis, uit het Griekse loxos 'schuin' en ops 'gezicht'. ʻAkekeʻe is de Hawaïaanse naam van de vogel.
