Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Bullocks troepiaal
Bullocks troepiaal | Icterus bullockiorum
Bullock's Oriole | Turpial de Bullock
Bullocks troepiaal is de troepiaal van de westelijke helft van Noord-Amerika: oranje van onderen, met een zwarte kruin, een zwarte oogstreep en een grote witte vleugelvlek. Hij broedt in populieren en wilgen langs rivieren, van Brits-Columbia tot Noord-Mexico, en ontmoet de baltimoretroepiaal op de Great Plains, waar de twee met elkaar kruisen.
Geluid
De zang is een korte reeks heldere fluittonen met daartussen schrapende, ratelende notities — sneller en ruwer dan de zang van de baltimoretroepiaal, en minder zuiver van toon. Beide geslachten zingen; het vrouwtje zingt vaak vaker dan het mannetje, met kortere strofen. De roep is een droog tsjek en een ratelend tsjer-r-r dat bij verstoring van het nest in lange series wordt herhaald.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Het mannetje is oranje op gezicht, borst en buik, met een zwarte kruin en nek, een zwarte oogstreep en een smalle zwarte keelstreep die niet verder reikt dan de kin en de bovenkeel. De rug is zwart, de vleugel heeft een groot wit veld op de dekveren, geen twee smalle banden. De staart is oranje met zwart in het midden en aan het uiteinde. Het vrouwtje is grijsbruin van boven met een olijfkleurige kruin, geelachtig op kop, borst en staart en wit tot grijs op de buik; oudere vrouwtjes hebben soms een beperkte donkere keelvlek. Eerstejaars mannetjes lijken op vrouwtjes, maar met een zwarte keelstreep en oogstreep.
Verwarringssoorten
Het mannetje van de baltimoretroepiaal heeft een volledig zwarte kop en keel zonder oranje in het gezicht, en slechts een smalle witte vleugelband in plaats van een groot wit veld; bij Bullocks troepiaal loopt het oranje door tot boven het oog. Vrouwtjes en eerstejaars vogels lijken meer op elkaar: die van Bullocks troepiaal hebben een grijswitte buik die scherp afsteekt tegen de gele borst, terwijl de baltimoretroepiaal doorlopend oranjegeel is tot onder de staart. De maskertroepiaal is slanker, heeft een dunnere, licht gebogen snavel en twee smalle witte vleugelbanden. In de contactzone op de Great Plains komen tussenvormen voor die op geen van beide soorten precies passen.
Leefgebied
Open loofbos en struweel langs water: populier, wilg, pecan, els en mesquite (doornige peulstruik van het zuidwesten, vormt dichte bosjes) in rivierdalen, en tamarisk in het droge zuidwesten. In steden en dorpen broedt hij in eucalyptus, sycamore (Amerikaanse plataan van beek- en rivierdalen) en straatbomen in parken en boomgaarden; het hangnest wordt aan een dunne buitentak opgehangen. Gesloten naaldbos en boomloze prairie mijdt hij; hij heeft verspreid staande hoge bomen nodig en niet meer dan dat.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt van Zuid-Brits-Columbia, Alberta en Saskatchewan zuidwaarts door de hele westelijke Verenigde Staten tot Sonora, Chihuahua, Coahuila en Durango, oostwaarts tot de Dakota's, Kansas en Midden-Texas. De trek begint vroeg: veel vogels vertrekken al in juli en augustus. De winter wordt doorgebracht van Sinaloa en Nayarit zuidwaarts over West- en Zuid-Mexico tot Guatemala en El Salvador, met een kleine groep die op de kust van Californië blijft. Waar de oostgrens van het areaal langs de Great Plains ligt, overlapt hij met de baltimoretroepiaal; die contactzone is smal en volgt de rivierbossen. Genetisch onderzoek laat zien dat de zone in de twintigste eeuw versmald en westwaarts verschoven is.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in mei en juni in de hoge populieren langs een rivier of in een parkstrook, en let eerst op de vleugel: het grote witte veld is ook op afstand en tegen het licht te zien, terwijl de precieze koptekening pas bij goed licht duidelijk wordt. Het hangnest, een diepe zak van plantenvezel aan een hangende buitentak, blijft na de bladval de hele winter zichtbaar.
Staat van instandhouding
De soort staat als niet bedreigd (LC) te boek en het areaal is groot. Uit de Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) komt over de lange termijn een lichte afname naar voren, het sterkst in Californië en in het zuidwesten; het verlies van populier-wilgbossen langs gereguleerde rivieren en de vervanging daarvan door tamarisk zijn de meest genoemde oorzaken. Herstel van oeverbos langs rivieren als de Colorado en de Rio Grande levert opnieuw bezette territoria op. Bruinkopkoevogels leggen eieren in de nesten, maar Bullocks troepiaal verwijdert die vaak.
Wetenschappelijke naam
Icterus bullockiorum | (Swainson, 1827)
Swainson beschreef de soort in 1827 als Xanthornus Bullockii, naar de Engelse verzamelaar William Bullock, die met zijn zoon William Bullock jr. in Mexico verzamelde; omdat het typemateriaal aan beide Bullocks wordt toegeschreven, luidt de wetenschappelijke naam nu bullockiorum, de tweede naamval meervoud: 'van de Bullocks'. De plaatsing in een ander geslacht zet auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Icterus komt van het Griekse ikteros, de naam van een gele vogel. Het beschreven exemplaar kwam uit het hoogland van Mexico, later beperkt tot Temascaltepec.





