Alle soorten › Zangvogels › Winterkoningen › Cactuswinterkoning

Cactuswinterkoning | Campylorhynchus brunneicapillus

Cactus Wren | Cucarachero desértico

De cactuswinterkoning is met achttien tot negentien centimeter de grootste winterkoning van de Verenigde Staten en doet met zijn grove vlekkentekening en brede witte wenkbrauwstreep eerder aan een spotlijster denken. Hij bouwt voetbalvormige nesten in cholla en saguaro (de grote zuilcactus van de Sonorawoestijn) en is de staatsvogel van Arizona.

Cactuswinterkoning (Campylorhynchus brunneicapillus)
Foto: Mike & Chris — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een harde, raspende reeks tsjar-tsjar-tsjar-notities op vrijwel gelijke toonhoogte, die in volume en tempo toeneemt; vogelaars vergelijken het weleens met een auto die niet wil aanslaan. Het mannetje zingt vanaf een hoge zitplaats, vaak al voor zonsopgang. Naast deze hoofdroep zijn er ten minste acht andere geluiden beschreven, waaronder een schraperig rack als alarm en zachte contactnotities tussen partners. Er wordt het hele jaar door geroepen.

Luister: ZangXC1153771

Opname: Pat Goltz — CC BY-NC-SA 4.0 · Tucson, Pima County, Arizona, United States · xeno-canto

Herkenning

Groot en langstaartig, bruin van boven met dichte zwart-witte streping op rug en vleugels. Een brede witte wenkbrauwstreep loopt van de snavel tot in de nek en scheidt de bruine kruin van de donkere oogstreep. De borst is wit met een dichte concentratie zwarte vlekken, die naar de flanken en buik overgaat in okerbruin met verspreide stippen. De staart is lang, zwart gebandeerd en wordt bij het foerageren op de grond breed uitgespreid. Beide geslachten zijn gelijk; jonge vogels zijn bleker en hebben modderig grijze ogen tegenover het roodbruine oog van de volwassen vogel.

Verwarrings­soorten

Geen andere winterkoning in het gebied is zo groot of zo grof gevlekt. De krombekspotlijster en de cactusspotlijster van hetzelfde woestijnstruweel zijn beduidend groter en missen de witte wenkbrauwstreep; de krombekspotlijster heeft een langere, sterk gebogen snavel, de cactusspotlijster juist een kortere, rechtere snavel, en beide hebben een egale of fijner gestreepte borst. De rosse spotlijster is roodbruin en effen van boven. Bewicks winterkoning en de Amerikaanse rotswinterkoning zijn veel kleiner en missen de dichte zwarte borstvlekking. De raspende roep alleen al sluit alle andere winterkoningen uit.

Leefgebied

Droge en halfdroge streken met stekelige cactussen: de Sonora- en Chihuahuawoestijn met cholla, vijgcactus, saguaro, yucca, mesquite (doornige peulstruik van het zuidwesten, vormt dichte bosjes) en acacia, en aan de Californische kust kustsalie en vijgcactus. De soort trekt niet en houdt een territorium van ongeveer 1,3 tot 1,9 hectare het hele jaar aan. Ook parken, tuinen en buitenwijken met cactusaanplant worden bezet. Het nest is een langwerpige bol van gras, twijgjes en veren met een buisvormige ingang van ongeveer vijftien centimeter, meestal op een meter hoogte in een cholla of vijgcactus; er worden het hele jaar door nesten gebouwd, ook als slaapplaats, en jonge vogels beginnen binnen twee weken na uitvliegen al met nabootsend bouwen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel van Zuid-Californië, Zuid-Nevada, Zuidwest-Utah, Arizona, New Mexico en West-Texas, zuidwaarts over beide Baja-schiereilanden en door het noorden en midden van Mexico tot ongeveer Hidalgo, Querétaro en Michoacán. Drinkwater is niet nodig: het vocht komt uit insecten en vruchten. De kustvorm in Zuid-Californië, sandiegensis, leeft in een versnipperd, van het woestijnareaal gescheiden gebied.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Zoek hem 's ochtends vroeg op de top van een cholla of een mesquite langs een woestijnpad: hij zit hoog en open en roept lang achtereen. Buiten die uren verraadt hij zich door de nesten — de langwerpige bollen in de cactus zijn het hele jaar zichtbaar en wijzen een bezet territorium aan, ook als de vogel zelf op de grond tussen het struikgewas foerageert.

Staat van instandhouding

Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldwijde broedpopulatie op 8,5 miljoen vogels; de Continental Concern Score (de Noord-Amerikaanse zorgscore van 1 tot 20) is 12 van 20. De Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laat tussen 1966 en 2019 een afname van ongeveer 1,3 procent per jaar zien, in totaal ruwweg vijftig procent, met de sterkste afname in Texas, Arizona en Californië; de soort staat op de lijst van gewone vogels in sterke afname. Stads- en landbouwuitbreiding kost leefgebied wanneer cactussen en woestijnstruiken helemaal verdwijnen. De kustvorm sandiegensis is in Californië aangemerkt als Species of Special Concern; versnippering en branden in de kustsalie zijn daar de knelpunten.

Wetenschappelijke naam

Campylorhynchus brunneicapillus | (de Lafresnaye, 1835)

Frédéric de Lafresnaye beschreef de soort in 1835 als Picolaptes brunneicapillus; omdat ze later naar een ander geslacht ging, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Als typelocatie gaf hij Californië op, wat een vergissing was: Bangs wees in 1930 het kustgebied van Zuid-Sonora aan. Johann Baptist von Spix voerde in 1824 het geslacht Campylorhynchus in, van het Griekse kampylos 'gebogen' en rhunkhos 'snavel'. De soortnaam is Latijn, van brunneus 'bruin' en capillus 'hoofdhaar', dus 'met de bruine kruin'.