Alle soortenZangvogelsWinterkoningen › Zeggewinterkoning

Zeggewinterkoning | Cistothorus stellaris

Sedge Wren | Cucarachero culibarrado

De zeggewinterkoning is een zeer kleine, kortsnavelige winterkoning van natte hooilanden en ondiepe zeggemoerassen. Hij is een van de meest zwervende territoriale vogels van Noord-Amerika: een terrein dat in het ene jaar tientallen zingende mannetjes telt, kan het volgende jaar leeg zijn.

Zeggewinterkoning (Cistothorus stellaris)
Foto: Andy Reago & Chrissy McClarren — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang duurt anderhalf tot twee seconden en begint met drie of vier hoge, staccato tsjip-notities, gevolgd door een droge, gelijkmatige ratel op één toonhoogte. De mannetjes improviseren hun zang in plaats van hem te leren, zodat elk individu een eigen versie heeft; bij tegenzang met een buurman wisselen ze snel van type. Er wordt ook 's nachts gezongen, en tot laat in de zomer door. De roep is een droog, kort tsjep, vaak in reeksen.

Luister: ZangXC561829

Opname: Justin Watts — CC BY-SA 4.0 · McGregor Marsh, Aitkin Co., Minnesota, United States · xeno-canto

Herkenning

Klein en compact, met een korte, dunne snavel — bruin van boven, geel van onderen — en roze poten. Kruin en rug zijn warm geelbruin met een fijne zwart-witte lengtestreping die op de kruin doorloopt. De wenkbrauwstreep is bleek okerkleurig en vaag, niet scherp wit. De stuit is oranjebruin en de korte staart geelbruin met zwarte dwarsbandjes, vaak schuin omhoog gehouden. Keel en buik zijn wit, flanken okerkleurig. Jonge vogels zijn minder gestreept op de kop en bleker op de borst. De vogel blijft laag in de vegetatie en vliegt kort en laag op, waarna hij meteen weer wegduikt.

Verwarrings­soorten

De moeraswinterkoning, de naaste verwant, heeft een langere snavel, een scherp afgetekende witte wenkbrauwstreep, een egaal ongestreepte bruine kruin en een zwart rugvlak met witte lengtestrepen; zijn zang is een luidruchtige, ratelende mengeling in plaats van chips gevolgd door één egale ratel. Ook het leefgebied scheidt beide: de zeggewinterkoning zit in ondiepe zegge- en graslanden en de moeraswinterkoning in dieper, rietbegroeid moeras. De huiswinterkoning heeft geen gestreepte kruin of rug. Bij een onzichtbare vogel is de zang het betrouwbaarste kenmerk.

Leefgebied

Dichte, hoog opgaande begroeiing van zeggen en grassen in natte weiden, ondergelopen hooilanden, veenranden en uit productie genomen akkers, met hier en daar een struik ertussen; diep rietmoeras met open water mijdt hij. Buiten het broedseizoen zit hij in dennensavanne, droge prairie, zoutmoerasrand en bermen — vrijwel elke plek met voldoende dekking en insecten. Het mannetje bouwt meerdere bolvormige nesten van gras en zeggen, op de grond of tot een meter hoog in de vegetatie; het vrouwtje kiest er één uit en bekleedt dat met fijn gras, veren en haar.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt van Zuid-Alberta, Saskatchewan en Manitoba oostwaarts tot Zuid-Ontario, Quebec en New Brunswick, en zuidwaarts ten westen van de Appalachen tot Missouri en Noord-Arkansas. Overwintert van Zuid-Arkansas en Oost-Texas over de hele Golfkust tot Florida en de zuidelijke Atlantische kust, en in een smalle strook van Noordoost-Mexico. De soort wisselt van broedplaats naar gelang de waterstand en broedt bovendien laat: een deel van de vogels verplaatst zich halverwege de zomer en begint dan in de Great Plains en Iowa aan een tweede broedsel.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in juni of juli bij zonsopgang of in het laatste uur voor donker langs de rand van een nat hooiland staan en luister naar de reeks chips gevolgd door een droge ratel; de vogel zelf laat zich zelden zien. Kom terug in juli of augustus, als veel mannetjes dan pas zingen op plekken waar in mei niets zat. Onderscheid van de moeraswinterkoning gaat het snelst op zang en op de gestreepte kruin.

Staat van instandhouding

Partners in Flight schat de broedpopulatie van de Verenigde Staten en Canada op 5,4 miljoen vogels. De Breeding Bird Survey laat tussen 1993 en 2015 een afname zien van ongeveer 3,35 procent per jaar, in totaal ruwweg vierenvijftig procent, al is de zwervende leefwijze lastig te tellen en maakt dat de trend minder scherp. Het verdwijnen van natte weiden en zeggemoerassen door ontwatering is het belangrijkste knelpunt, gevolgd door maaien van hooiland tijdens het broedseizoen en aanvaringen tijdens de nachtelijke trek. Verschillende deelstaten voeren de soort als bedreigd of kwetsbaar.

Wetenschappelijke naam

Cistothorus stellaris | (Naumann, 1823)

Johann Friedrich Naumann beschreef de soort in 1823 als Troglodytes stellaris, naar materiaal uit Carolina; omdat ze later naar een ander geslacht ging, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Jean Cabanis voerde in 1850 het geslacht Cistothorus in, van het Griekse kistos 'struikgewas' en thouros 'springend', naar de manier waarop de vogels door de vegetatie bewegen. De soortnaam stellaris is Latijn voor 'met sterren getekend' en slaat op de witte lengtestreepjes op rug en kruin. Lange tijd werd de soort als onderdeel van de wijdverbreide Cistothorus platensis beschouwd; ze wordt nu apart gehouden.