Alle soorten › Zangvogels › Winterkoningen › Amerikaanse Rotswinterkoning
Amerikaanse Rotswinterkoning | Salpinctes obsoletus
Rock Wren | Chivirín saltarroca
De Amerikaanse rotswinterkoning is de bleekste winterkoning van het Westen: een grijsbruine vogel van kale rotshellingen, steengroeven en puinhellingen, die zelden ver van blote steen te vinden is. Hij broedt van Zuid-Canada tot in Midden-Amerika en legt bij de nestingang vaak een plaveisel van kleine, platte steentjes aan.
Geluid
De zang is een reeks korte, droge trillers van één tot tweeënhalve seconde, met drie tot vijf seconden stilte ertussen; elke triller bestaat uit een lettergreep die vier tot acht keer wordt herhaald. Het mannetje beschikt over een groot repertoire — 69 tot 119 verschillende lettergrepen zijn geteld — en zingt ze in wisselende volgorde vanaf een rotsblok. Het repertoire wordt deels van buurmannen overgenomen, zodat naburige territoria dezelfde motieven delen. De alarmroep is een hard, metaalachtig tik-kier.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Bovendelen grijsbruin met een fijne, zwart-witte spikkeling die op afstand vervaagt; onderdelen vuilgrijs met een okerbruine aanslag op de flanken en een lichtbruine stuit. De keel is wit en fijn gespikkeld, niet egaal. De staart is lang voor een winterkoning, dwars gebandeerd en heeft een brede okerkleurige eindband met zwarte subterminale vlekken, goed te zien als de vogel wegvliegt. De snavel is lang, dun en licht gebogen. Kenmerkend gedrag is een diepe knikbuiging: de vogel zakt op zijn poten door en komt weer omhoog, tientallen keren achtereen, vanaf een steen.
Verwarringssoorten
De kloofwinterkoning is roodbruiner, heeft een egaal witte keel en borst die scherp tegen de kastanjebruine buik afsteekt, en een kortere, vierkante staart zonder okerkleurige eindband; zijn zang is een dalende reeks fluittonen in plaats van een triller. De cactuswinterkoning is veel groter, grover gevlekt en heeft een brede witte wenkbrauwstreep. Bewicks winterkoning heeft een opvallend witte wenkbrauwstreep en witte staarthoeken en zit in struweel, niet op kale rots. Op afstand valt de rotswinterkoning vooral op door de gespikkelde keel en de knikbuiging.
Leefgebied
Open, rotsig terrein zonder gesloten begroeiing: canyonwanden, kliffen, blokvelden, lavavelden, erosiegeulen en stenige hellingen, van zeeniveau tot ongeveer 3600 meter, met het zwaartepunt beneden 2000 meter. Ook aangelegde steenmassa's worden bezet — wegsneden, spoordijken, grindgroeven, mijnstorten en afvalhopen. Dichte vegetatie en stedelijk gebied mijdt hij. Het nest ligt in een spleet of holte, met daarvoor vaak een aangelegd pad van honderden platte steentjes, botjes en menselijke voorwerpen; waar dat voor dient is onbekend.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied loopt van Zuid-Brits-Columbia, Zuidoost-Alberta en Zuidwest-Saskatchewan zuidwaarts door het hele Amerikaanse Westen tot in Mexico. De noordelijke en hooggelegen populaties trekken weg in de winter; van Californië en Nevada zuidwaarts, door het Mexicaanse hoogland en de Baja-schiereilanden tot in Guatemala, El Salvador, Honduras en Nicaragua is hij standvogel. In de winter verschijnt hij in de laaglanden van Oklahoma en West-Texas waar hij niet broedt. Oostelijk van de honderdste meridiaan is hij een zeldzame dwaalgast.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in de vroege ochtend op een uitstekend rotsblok langs een wegsnede of aan de rand van een groeve: de knikbuiging verraadt hem al voor je de spikkeling ziet. Volg de droge triller — die draagt over open helling verder dan de vogel zichtbaar is — en let bij het wegvliegen op de okerkleurige eindband van de staart.
Staat van instandhouding
Partners in Flight schat de wereldwijde broedpopulatie op 4,1 miljoen vogels en de soort staat op een score van 11 van 20 op de Continental Concern Score. De Breeding Bird Survey laat tussen 1968 en 2015 een afname van ongeveer 0,65 procent per jaar zien, en tussen 2010 en 2020 een daling van ongeveer 13 procent; de oorzaak is niet vastgesteld. Bekende knelpunten zijn koebrijparasitisme door de bruinkopkoevogel in delen van het areaal en het vastraken van vogels in open buizen van mijnclaimpalen, waarvan er in het Westen honderdduizenden staan.
Wetenschappelijke naam
Salpinctes obsoletus | (Say, 1822)
Thomas Say beschreef de soort in 1822 als Troglodytes obsoleta, naar een exemplaar van de samenvloeiing van Plum Creek en de South Platte in Douglas County, Colorado; omdat ze later naar een ander geslacht ging, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Jean Cabanis voerde in 1847 het geslacht Salpinctes in, van het Griekse salpinktes 'trompetter', naar de doordringende zang. De soortnaam obsoletus is Latijn voor 'versleten, afgesleten' en slaat op het onopvallende, vaalgrijze verenkleed.






