Alle soortenZangvogelsWinterkoningen › Moeraswinterkoning

Moeraswinterkoning | Cistothorus palustris

Marsh Wren | Cucarachero pantanero

De moeraswinterkoning brengt vrijwel zijn hele leven door tussen lisdodde, bies en riet, en komt zelden boven de vegetatie uit. Je hoort hem eerder dan je hem ziet: een ratelende, gorgelende zang uit het dichtste deel van het moeras, in de broedtijd ook midden in de nacht.

Moeraswinterkoning (Cistothorus palustris)
Foto: Cephas — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang begint met een paar losse, tikkende noten en gaat over in een droge, gorgelende ratel van een seconde of twee, die uit het riet omhoog komt zonder dat de vogel te zien is. Mannetjes zingen vanaf de vroege ochtend door tot na zonsondergang en vaak ook ’s nachts. Westelijke mannetjes beschikken over een aanzienlijk groter aantal zangtypen dan oostelijke, en hun ratel klinkt droger en harder; oostelijke vogels klinken vloeiender. De roep is een scherpe, harde tsjek, vaak in een korte reeks als de vogel onrustig is.

Luister: ZangXC105805

Opname: Jonathon Jongsma — CC BY-SA 3.0 · Minnesota Valley NWR, Old Cedar Ave Bridge, Hennepin, Minnesota, United States · xeno-canto

Herkenning

Een kleine, compacte winterkoning met een warmbruine bovenzijde, een roodbruine stuit en een zwarte rugvlek met scherpe witte lengtestrepen. De witte wenkbrauwstreep is breed en duidelijk, de kruin is donker en ongestreept. De onderzijde is wit en ongestreept, met een okerkleurige waas op flanken en onderstaart. De staart is kort, fijn dwarsgebandeerd en wordt vaak schuin omhoog gehouden; de snavel is dun en relatief lang voor een winterkoning. Oostelijke vogels zijn roestiger van kleur, westelijke grijzer en meer contrastrijk.

Verwarrings­soorten

De zeggewinterkoning is kleiner en bleker, heeft een gestreepte kruin, een vage en korte wenkbrauwstreep en mist de scherp begrensde zwart-witte rugvlek; hij zit in droge zegge- en grasvelden in plaats van in staand water met lisdodde. De huiswinterkoning heeft geen wenkbrauwstreep en geen rugstreping en broedt niet in moeras. Gorzen van het moeras, zoals de moerasgors, hebben een veel dikkere, kegelvormige snavel en houden de staart niet omhoog.

Leefgebied

Zoetwatermoeras met lisdodde, bies, riet en zegge, en aan de kust kwelders met zoutgras. Hij heeft staand water onder de vegetatie nodig; de nesten worden boven het water tussen de stengels geweven. Buiten de broedtijd wijkt hij ook uit naar rietkragen langs kanalen, oeverruigte en struweel vlak bij water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Hij broedt van Zuid-Brits-Columbia en de Canadese prairieprovincies oostwaarts tot de Atlantische kust, en zuidwaarts tot in het Middenwesten en de noordelijke Atlantische staten. Oostelijke en noordelijke vogels trekken weg en overwinteren in de zuidelijke Verenigde Staten, langs de Golfkust en tot in Noord-Mexico. Langs de westkust, in het Grote Bekken en langs de zuidelijke Atlantische kust blijft hij het hele jaar. Losse standpopulaties houden stand in de moerassen van de Mexicaanse hoogvlakte, in Hidalgo, de staat Mexico en Puebla.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

De grootste kans is een windstille ochtend in mei of juni langs een rietkraag: de zang verraadt de plek, en een kort sisgeluid brengt de vogel vaak enkele seconden boven op een stengel. Let onderweg op de lege, bolvormige nesten — een mannetje bouwt er een reeks van, en die blijven het hele jaar zichtbaar tussen de lisdodde.

Staat van instandhouding

De soort staat als niet bedreigd te boek, met een geschatte broedpopulatie van ongeveer 9,4 miljoen vogels. Het knelpunt is het verdwijnen en versnipperen van moeras: drooglegging, verlaging van waterpeilen en het dichtgroeien van rietkragen doen lokale populaties verdwijnen, terwijl herstelde en aangelegde moerassen snel weer bezet raken. De kleine standpopulaties op de Mexicaanse hoogvlakte zijn door hun geringe omvang het kwetsbaarst.

Wetenschappelijke naam

Cistothorus palustris | (Wilson, 1810)

Alexander Wilson beschreef de soort in 1810 als Certhia palustris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het typemateriaal kwam van de oevers van de Schuylkill en de Delaware bij Philadelphia. De geslachtsnaam Cistothorus is gevormd uit het Griekse kistos ‘struik’ en thouros ‘springend’, naar het springen door de oevervegetatie. De soortnaam palustris is Latijn voor ‘van het moeras’, van palus ‘moeras’.