Alle soorten › Zangvogels › Spotlijsters › Californische spotlijster
Californische spotlijster | Toxostoma redivivum
California Thrasher | Cuitlacoche californiano
De Californische spotlijster is de grootste spotlijster van Noord-Amerika en de vogel van de californische chaparral (dicht, hardbladig struweel van het Californische mediterrane klimaat). Hij is donker grijsbruin, heeft een lange gebogen zwarte snavel en een donkere iris, en leeft vrijwel zijn hele leven binnen één struweelterritorium. Buiten Californië en het noordwesten van Neder-Californië komt hij niet voor.
Geluid
De zang is een lange reeks frasen die twee tot drie keer worden herhaald, met een mengeling van schorre, ratelende en heldere fluitende tonen, en met veel imitaties van soortgenoten uit hetzelfde struweel. Beide geslachten zingen, meestal vanaf de top van een struik, het meest van december tot mei. De roep is een laag, tweelettergrepig tsjoe-rrek en een droog ratelen.
Opname: Thomas G. Graves — CC BY-NC-SA 4.0 · Santa Margarita, San Luis Obispo County, California, United States · xeno-canto
Herkenning
Een grote, langstaartige spotlijster, donker grijsbruin van boven en iets bleker van onderen, met een roestbruine buik en onderstaartdekveren en een olijfachtige tint op de staart. De keel is bleek en steekt af tegen een vaag donkere baardstreep; boven het oog loopt een grijsbruine wenkbrauwstreep. De iris is donkerbruin, niet geel of oranje zoals bij de meeste andere spotlijsters. De snavel is lang, zwart en sterk gebogen. De borst is ongevlekt.
Verwarringssoorten
De roodbuikspotlijster van de woestijnen ten oosten van de Sierra Nevada lijkt er het meest op, maar is bleker grijs, heeft een scherper afgetekende witte keel met een duidelijke donkere baardstreep en een fel kaneelrode onderstaart; de arealen raken elkaar nauwelijks. De krombekspotlijster is lichter, heeft een gele tot oranje iris en vage borstvlekken. De bergspotlijster is veel kleiner, gestreept van onderen en heeft een korte rechte snavel. Alle spotlijsters zijn in de chaparral te scheiden van de spotlijster, die witte vleugelvlekken heeft.
Leefgebied
Chaparral op heuvelhellingen, met ceanothus, manzanita, toyon en struikeiken, en daarnaast dicht struweel in eikenland, oeverbos met dichte onderbegroeiing, artemisia en jeneverbesstruweel. Een dikke laag strooisel onder de struiken is een vereiste: hij foerageert op de grond en graaft met de snavel zijwaarts door bladeren en losse aarde. Open bos zonder onderbegroeiing mijdt hij. Hij komt tot ongeveer 1600 meter, in de zuidelijke bergen soms tot 2000 meter, en houdt stand in ruime tuinen met inheems struikgewas.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Endemisch in Californië ten westen van de Sierra Nevada en de woestijnen, van Shasta en Trinity County in het noorden zuidwaarts door de kustbergen en de westelijke Sierra-uitlopers tot in Noordwest-Neder-Californië. Hij trekt niet en verplaatst zich buiten de broedtijd nauwelijks; ook jonge vogels blijven dicht bij hun geboorteplaats. Territoria beslaan enkele hectaren tot meer dan tien hectare.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Een chaparralhelling bij zonsopgang in februari of maart geeft de grootste kans: dan zingt hij vanaf een struiktop, terwijl hij later op de dag op de grond onder de struiken verdwijnt. Let bij twijfel op de donkere iris en de ongevlekte, roestbruin getinte onderdelen — dat scheidt hem van elke andere spotlijster binnen zijn areaal.
Staat van instandhouding
Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de populatie op ongeveer 240.000 vogels. Tussen 1968 en 2015 nam het aantal met ruwweg 54 procent af, circa 1,6 procent per jaar. Het belangrijkste knelpunt is het verdwijnen van chaparral door woningbouw, ontginning en versnippering: omdat een paar een groot territorium nodig heeft, verdwijnt de soort uit restanten die te klein worden. Predatie door verwilderde katten treft vooral jonge vogels. Klimaatmodellen voorspellen bij voortgaande opwarming een sterke inkrimping van het broedareaal.
Wetenschappelijke naam
Toxostoma redivivum | (Gambel, 1845)
William Gambel beschreef de soort in 1845 als Harpes rediviva, naar materiaal uit de omgeving van Monterey in Opper-Californië; omdat ze later in Toxostoma is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Toxostoma komt van het Griekse toxon 'boog' en stoma 'mond'. De soortnaam redivivum is Latijn voor 'weer tot leven gekomen, hernieuwd'; de reden voor die keuze is niet met zekerheid bekend.




