Alle soorten › Zangvogels › Kraaiachtigen › Canadese taigagaai
Canadese taigagaai | Perisoreus canadensis
Canada Jay | Arrendajo canadiense
De Canadese taigagaai is de gaai van het boreale woud: grijs, zonder kuif, met een korte snavel en een dikke verenlaag. Hij blijft het hele jaar in hetzelfde territorium, ook bij dertig graden vorst, en overbrugt de winter met duizenden voedselvoorraadjes die hij in de zomer met speeksel tegen boomschors heeft geplakt. Hij begint al te broeden als er nog een meter sneeuw ligt.
Geluid
Het repertoire is breed. Het bekendste geluid is een gefloten, naar beneden glijdend kwie-oo; daarnaast klinken klikjes, zachte grommetjes en een gorgelend gebabbel. Bij gevaar op de grond volgt een reeks harde klikken, bij een roofvogel in de lucht een reeks herhaalde fluittonen. De soort bootst het geluid van minstens veertig vogelsoorten na, en ook dat van rode eekhoorn en huiskat; nabootsing van roofvogels wordt in mobbing gebruikt. Rond het nest zijn de vogels juist stil.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · La Côte-de-Beaupré (near La Barrière-du-Maurice), Capitale-Nationale, Québec, Canada · xeno-canto
Herkenning
Een gedrongen, kuifloze gaai van 25 tot 33 centimeter, met een spanwijdte rond 45 centimeter en een gewicht van ongeveer 70 gram. De rug is middengrijs, de onderdelen lichter grijs, de kop overwegend wit met een donkergrijze tot zwarte nekkap die bij noordelijke vogels verder naar voren loopt. Snavel en poten zijn zwart; de neusgaten zijn bevederd. De staart is lang en grijs met lichtere punten. Het vliegbeeld is traag en zwevend, vaak van boomtop naar boomtop. Jonge vogels zijn de eerste maanden egaal donkergrijs en ruien pas in juli of augustus naar het adulte kleed.
Verwarringssoorten
De grijze kop en het kuifloze silhouet onderscheiden hem van alle blauwe gaaien in het areaal. Grijze notenkraker is groter, heeft een lange spitse snavel en zwart-witte vleugels en staart, en zit in hogere, drogere bergbossen. De bruinkopmees is veel kleiner, met een korte staart en een bruine kruin. Jonge taigagaaien die nog geheel donkergrijs zijn worden soms voor een andere soort aangezien; let dan op het formaat, de zwevende vlucht en het gezelschap van de ouders.
Leefgebied
Naaldbos met zwarte of witte spar, engelmannspar, banksdennen of draaidennen, van de taiga tot de subalpiene gordel. Twee dingen lijken te bepalen waar hij zit: winters die koud genoeg zijn om zijn voorraden onbedorven te houden, en schors met soepele, dakpansgewijs liggende schubben waar hij voedsel achter kan wegwerken. Sitkasparbos in het kustlaagland van Alaska en Brits-Columbia wordt niet bewoond, en in de Sierra Nevada van Californië, waar sparren ontbreken, komt hij niet voor. Kampeerterreinen, hutten en voederplanken worden bezocht.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel van Noord-Alaska en het Yukongebied oostwaarts tot Newfoundland en Labrador, en zuidwaarts langs de bergen tot Noord-Californië, Idaho, Utah, Arizona, New Mexico, Colorado en de Black Hills van South Dakota. In het oosten reikt het areaal tot Noord-Minnesota, Noord-Wisconsin, het schiereiland van Michigan, de Adirondacks in New York en de bergen van Vermont, New Hampshire en Maine. Trek is er nauwelijks; in sommige winters verschijnen vogels wat zuidelijker, tot Nebraska, Zuid-Michigan, Pennsylvania en Zuid-New England. Genetisch worden vier groepen onderscheiden: een boreale, een trans-Cascade, een Rocky Mountain- en een Pacifische groep.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga naar een kampeerterrein of parkeerplaats in boreaal of subalpien naaldbos en wacht: de vogels komen in stilte aanzweven en landen soms op een uitgestoken hand. De grootste kans op broedgedrag is eind februari en maart, als de nesten worden gebouwd terwijl de sneeuw nog hoog ligt. Zoek het paar hoog in een spar, aan de zuidkant van de kroon.
Staat van instandhouding
De soort staat als niet bedreigd (LC) te boek, met een stabiele populatie over een groot areaal dat weinig bewoond is. Aan de zuidrand van het areaal is een afname vastgesteld die in verband is gebracht met warmere temperaturen in de voorafgaande herfst: die versnellen het bederf van de opgeslagen voorraden waarvan het broeden in de late winter deels afhangt. In het noorden kan de soort juist terrein winnen waar sparren de toendra in oprukken.
Wetenschappelijke naam
Perisoreus canadensis | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Corvus canadensis, naar materiaal uit Canada, later gepreciseerd tot Quebec; omdat ze in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Bonaparte voerde in 1838 het geslacht Perisoreus in, van het Griekse perisoreuo 'opstapelen', naar het voedselhamsteren. De Engelse naam werd in 2018 van Gray Jay in Canada Jay veranderd. De volksnaam whisky jack komt van Wisakedjak, een figuur uit de verhalen van Cree, Algonquin en Menominee; in het Ojibwe heet de vogel gwiingwiishi, in het Tlingit onder meer taatl'eeshdei, 'kampdief'.




