Alle soortenZangvogelsKraaiachtigen › Pinyongaai

Pinyongaai | Gymnorhinus cyanocephalus

Pinyon Jay | Chara piñonera

De pinyongaai is een kuifloze, blauwgrijze gaai van het pinyon-jeneverbesbos van het Amerikaanse Westen. Hij leeft in troepen van tientallen tot honderden vogels en is voor zijn voedsel grotendeels afhankelijk van de zaden van de pinyonden, die hij in het najaar bij duizenden in de grond verstopt. De populatie neemt al decennia sterk af.

Pinyongaai (Gymnorhinus cyanocephalus)
Foto: David Menke — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

De troep is vrijwel voortdurend te horen. Het contactgeluid is een kraaiachtig, nasaal kaa of kwie-eh, met een opvallend stijgend einde, meestal in reeksen van twee of drie en door meerdere vogels tegelijk gegeven. Daarnaast klinken een rollend gelach, een hoog krie-krie en zachte gorgelende notities binnen de troep. Vaak hoor je een naderende groep enkele minuten voordat je hem ziet.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Ongeveer 26 tot 29 centimeter lang, met een spanwijdte rond 46 centimeter en een gewicht van 90 tot 120 gram. Het verenkleed is egaal blauwgrijs, met een diepere blauwe kop en een vuilwitte keelvlek met fijne lichte streping. Er is geen kuif. De snavel is lang, recht en dolkvormig, zonder de neusborstels die andere kraaiachtigen aan de snavelbasis hebben, en de staart is kort. Het silhouet lijkt daardoor eerder op een kleine kraai dan op een gaai. De vlucht is recht en krachtig, met snelle vleugelslagen, en meestal in gesloten formatie.

Verwarrings­soorten

Woodhouses struikgaai en de Californische struikgaai overlappen in areaal en kleur, maar hebben een langere staart, een kortere snavel, een duidelijk wit oogstreep-patroon en een witte borstband; ze bewegen zich bovendien alleen of in paren, niet in grote troepen. De Mexicaanse gaai is grijzer van onderen, heeft ook een langere staart en zit zuidelijker in eiken-dennenbos. Clarks notenkraker heeft dezelfde bouw en dezelfde manier van zaden verstoppen, maar is lichtgrijs met zwart-witte vleugels en staart; de gelijkenis in verhoudingen berust op convergentie. De bergsialia is veel kleiner, helderder blauw en jaagt vanaf een uitkijkpost.

Leefgebied

Pinyon-jeneverbesbos tussen ruwweg 1200 en 2400 meter is het kerngebied; daarnaast ponderosadennenbos op lagere hoogte, sagebrush, struikeik en chaparral. De pinyonden levert het voedsel, de jeneverbes vaak de nestplaats en de open bodem eronder de opslagplekken. Troepen komen ook in dorpen en op voederplaatsen langs de rand van het bos. Eén vogel kan in een seizoen meer dan twintigduizend zaden wegstoppen, één tot zeven per plekje, bij voorkeur aan de zonzijde waar de sneeuw het eerst wegsmelt; van november tot februari bestaat het dieet tot negentig procent uit die voorraden. Proeven laten zien dat de vogels de plek van een eigen voorraad nog na een week terugvinden, en ook onthouden waar soortgenoten iets hebben verstopt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel van Centraal-Oregon en het Grote Bekken oostwaarts tot West-South Dakota en zuidwaarts tot Noord-Baja California, Arizona, Centraal-New Mexico en West-Oklahoma; West-Texas en Montana horen er ook bij. Echte trek is er niet, maar in jaren met een slechte zaadoogst zwerven troepen ver buiten het areaal, tot in Washington, Californië, Iowa en Saskatchewan. Binnen het areaal verplaatsen troepen zich over tientallen kilometers tussen bossen die wel en niet dragen.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Rijd in de herfst langzaam door pinyon-jeneverbesbos met de ramen open en luister; de troep verraadt zich met het nasale kaa lang voordat hij zichtbaar is. Als je er één ziet, wacht dan: er volgen er tientallen. Let bij het silhouet op de korte staart en de lange rechte snavel — dat zijn ook op afstand en tegen het licht de betrouwbaarste kenmerken.

Staat van instandhouding

De IUCN plaatst de soort in de categorie kwetsbaar. Tellingen van de Breeding Bird Survey laten sinds 1970 een afname van orde tachtig procent zien, ongeveer drie tot vier procent per jaar. Het areaal van pinyon-jeneverbes is in dezelfde periode niet in dezelfde mate gekrompen, wat erop wijst dat eenvoudig oppervlakteverlies niet de hele verklaring is; genoemd worden droogte en hitte die de zaadproductie van de pinyonden onderbreken, grootschalige sterfte van pinyondennen, het machinaal verwijderen van jeneverbes voor veeteelt, en ontsluiting van bos voor olie- en gaswinning. Defenders of Wildlife diende in 2022 een verzoek in om de soort onder de Endangered Species Act te plaatsen; de federale dienst oordeelde dat het verzoek nader onderzoek rechtvaardigt, maar een besluit is nog niet genomen.

Wetenschappelijke naam

Gymnorhinus cyanocephalus | Wied-Neuwied, 1841

Maximilian zu Wied-Neuwied beschreef de soort in 1841 naar een exemplaar van de Mariasrivier in Montana. Het geslacht Gymnorhinus komt van het Griekse gymnos 'naakt' en rhis, rhinos 'neus': anders dan bij andere kraaiachtigen zijn de neusgaten niet door borstelveren bedekt. De soortnaam cyanocephalus is Grieks voor 'blauwkoppig'. De soort is de enige in haar geslacht en kent geen ondersoorten. Oudere Engelse namen zijn blue crow en Maximilian's jay; Pinyon Jay is sinds de vaststelling door de internationale commissie de officiële naam.