Alle soorten › Zangvogels › Pestvogels › Cederpestvogel
Cederpestvogel | Bombycilla cedrorum
Cedar Waxwing | Ampelis americano
Een zijdezacht gladde vogel in tinten bruin, grijs en geel, met een zwart masker, een spitse kuif en een strakke gele band aan de staartpunt. Hij komt en gaat met het fruit: waar een sierappel vol hangt, kan van de ene dag op de andere een zwerm van tachtig vogels zitten die er twee dagen later weg is. Wie hem wil vinden, moet vooral leren luisteren.
Geluid
Zang in de eigenlijke zin ontbreekt; wat hij laat horen is een hoge, dunne, licht sissende sriii die door een zwerm heen en weer gaat en waarvan een volle boom een aanhoudend ruisen maakt. Daarnaast klinkt een fijne, snelle triller die met dat contactgeluid wordt afgewisseld. De toonhoogte ligt zo hoog dat oudere oren hem als eerste kwijtraken, en menige zwerm trekt onopgemerkt over. In vlucht roepen alle vogels min of meer tegelijk, zodat het geluid uit de lucht lijkt te vallen zonder zichtbare bron.
Opname: Rory Nefdt — CC BY-NC-SA 4.0 · Croton Point Park, Croton, New York, United States · xeno-canto
Herkenning
Warm grijsbruin, naar de stuit toe grijzer, met een gele buik, witte onderstaartdekveren en een heldergele band aan het uiteinde van de staart. Het zwarte masker loopt met een dun wit randje over voorhoofd en oog; de kuif ligt meestal half neergeslagen. Volwassen vogels dragen de rode waslakjes aan de punt van de armpennen; jonge vogels missen die en zijn grijzer, doffer en op borst en flanken duidelijk gestreept. Mannetje en vrouwtje zijn in het veld niet uit elkaar te houden. De vlucht is snel en recht, met puntige vleugels en een korte staart, en groepen blijven strak bij elkaar.
Verwarringssoorten
De pestvogel (Bombycilla garrulus) van het hoge noorden is groter en grijzer, heeft roestbruine in plaats van witte onderstaartdekveren, wit en geel in de vleugel en een vaalgrijze buik; in noordelijke winters zitten beide soorten soms in dezelfde struik. Het geluid geeft uitsluitsel: de pestvogel laat een lagere, ratelende triller horen, geen dun gefluit. Een overvliegende zwerm wordt van een afstand voor spreeuwen aangezien, maar pestvogels zijn kleiner en lichter, met spitsere vleugels en een lichte staartpunt.
Leefgebied
Open bos, bosranden, houtwallen, oevers met wilg en els, verwilderde boomgaarden en de bes- en sierstruiken van tuinen en parken. Waar hij zit hangt af van wat er te eten valt: in de zomer bij stromend water, waar hij insecten uit de lucht vangt, en in de winter bij alles wat vrucht draagt. Gesloten hoogbos en kale akker leveren niets op. Aan de stad heeft hij zich goed aangepast, want veel van de struiken waarvan hij leeft zijn juist daar geplant.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt van Zuidoost-Alaska en heel Canada zuidwaarts tot Noord-Californië, Kansas en het noorden van Georgia; overwintert van Zuid-Canada door de Verenigde Staten en Mexico tot in Midden-Amerika, en de zuidelijkste vogels bereiken Costa Rica en Panama, buiten deze kaart. In het grootste deel van de Verenigde Staten is hij zowel zomer- als wintervogel, maar zelden op dezelfde plek in beide seizoenen. Zijn trek ligt niet vast: waar de zwermen belanden hangt af van de bessenoogst, en een streek kan het ene jaar vol zitten en het volgende leeg zijn. De Bahama's, de Grote Antillen en de Caymaneilanden worden alleen in onregelmatige jaren bereikt.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek niet naar de vogel maar naar de vrucht: een sierappel, lijsterbes of hulst die in januari nog vol hangt, is vroeg of laat een uur lang zwart van de pestvogels. Zit een groep roerloos in een kale boomtop, tel er dan doorheen — het zijn er vaak veertig of meer, en de gele staartpunten lichten alle tegelijk op als ze wegvliegen. Let er in het voorjaar op dat hij pas laat gaat broeden, als de meeste andere nesten al leeg zijn.
Staat van instandhouding
Talrijk en stabiel tot toenemend, met een populatie van rond de vierenzestig miljoen vogels. De aanplant van vruchtdragende struiken in tuinen en langs wegen heeft de soort duidelijk geholpen. De belangrijkste onnatuurlijke doodsoorzaken zijn botsingen met ruiten en met auto's, doordat groepen die in wegbermen eten laag oversteken.
Wetenschappelijke naam
Bombycilla cedrorum | Vieillot, 1808
Vieillot beschreef de soort in 1808 als Bombycilla cedrorum, in het geslacht dat hij in datzelfde werk zelf invoerde; auteur en jaartal staan daarom zonder haakjes. Bombycilla is een vertaling van het Duitse Seidenschwanz, 'zijdestaart', gemaakt uit het Griekse bombux 'zijde' en een cilla dat als 'staart' werd opgevat — een woord dat in het Latijn niet bestaat en dat op een verkeerde lezing van motacilla berust. cedrorum betekent 'van de ceders', naar de bessen van de virginiaanse jeneverbes, die in Noord-Amerika ceder wordt genoemd. Als vindplaats gaf Vieillot heel 'Amerika van Canada tot Mexico' op; die is later ingeperkt tot het oosten van Noord-Amerika.




