Alle soorten › Zangvogels › Pestvogels › Pestvogel
Pestvogel | Bombycilla garrulus
Bohemian Waxwing | Ampelis europeo
De pestvogel is een vogel van het boreale naaldbos die in de winter in zwermen naar het zuiden komt en dan een lijsterbes of een sierappel in een woonwijk binnen enkele uren kaalplukt. Aan de punt van zijn armpennen zitten rode, lakachtige plaatjes die op druppels zegellak lijken; ze bestaan uit de verlengde schacht van de veer. De Nederlandse naam komt van de oude gedachte dat zo'n invasie de pest aankondigde.
Geluid
Een zwerm klinkt als een aanhoudend, ratelend gezoem: een lage, trillende sirrrr die door tientallen vogels tegelijk wordt aangehouden, harder en ruwer dan het dunne gefluit van de cederpestvogel. Eén vogel laat dezelfde triller horen bij het opvliegen en onderweg, zodat een overtrekkende groep meestal eerder wordt gehoord dan gezien. Zang in eigenlijke zin ontbreekt: het hele repertoire bestaat uit varianten op die ene triller, soms met een hogere, kortere versie ertussen. Terwijl de zwerm in een boom eet, houdt hij een zacht, doorlopend geratel aan dat op afstand voor stromend water doorgaat.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Iivara national Park, Finland · xeno-canto
Herkenning
Een gedrongen vogel ter grootte van een spreeuw, met een hoge kuif die hij plat legt of rechtop zet, warmgrijs met een roomkleurige waas, een zwarte keelvlek en een zwart masker dat door het oog loopt. De onderstaartdekveren zijn roestbruin, de buik vaalgrijs, en de staart eindigt in een brede gele band. De vleugel draagt een witte streep langs de handpendekveren, gele en witte punten op de handpennen die samen een V-patroon vormen, en bij oude vogels tot acht rode lakplaatjes aan de armpennen. Man en vrouw lijken sterk op elkaar; het vrouwtje heeft een kleinere, vager begrensde keelvlek en meestal minder rode plaatjes. Jonge vogels zijn grauwer, gestreept van onderen en kort van kuif, maar dragen de gele staartband al. In vlucht is hij kortstaartig en spits van vleugel, en de zwerm beweegt als een dichte, hoekige bal.
Verwarringssoorten
De cederpestvogel is kleiner en bruiner, heeft een gele buik, witte onderstaartdekveren en geen wit en geel in de vleugel; in noordelijke winters zitten beide soorten soms in dezelfde boom, en dan is dat verschil onder de staart het snelst te zien. Het geluid scheidt ze ook: de cederpestvogel fluit dun en hoog, de pestvogel ratelt laag. Een zwerm op afstand wordt voor spreeuwen aangezien, maar spreeuwen zijn donkerder, hebben een langere snavel en een driehoekige vleugel, en hun zwerm golft in plaats van als een bal te draaien. De zwarte zijdevliegenvanger heeft ook een kuif, maar is zwart of grijs, langer van staart, en komt alleen in het droge zuidwesten voor.
Leefgebied
Hij broedt in open naaldbos en gemengd bos in het noorden, bij voorkeur waar veen, muskeg (drassig veenmoeras met sparren, kenmerkend voor het boreale Canada) of een beek open plekken maakt en waar in de zomer insecten boven het water vliegen. Buiten de broedtijd bepaalt niet het bos maar de bessenoogst waar hij zit: hij verschijnt overal waar lijsterbes, sierappel, meidoorn, jeneverbes of hulst nog vrucht draagt, en in het zuiden van zijn winterareaal is dat meestal in tuinen, parken, straatbomen en op parkeerterreinen. Een plek wordt kaalgegeten en daarna verlaten, dus hij blijft er zelden meer dan een paar dagen. Dicht gesloten bos zonder ondergroei en open land zonder struiken gebruikt hij niet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt over het hele noordelijk halfrond in de taiga; in Noord-Amerika van west-Alaska door Yukon en de Northwest Territories tot Manitoba, met de zuidgrens in de bergen van Brits-Columbia en Alberta. De winterverspreiding is onvoorspelbaar: de ene winter blijven de zwermen in het noordwesten hangen, de andere trekken ze door tot Nieuw-Engeland en Colorado. Die invasies volgen de bessenoogst van het noorden — mislukt de lijsterbes, dan komen de vogels zuidwaarts. Sinds er in noordelijke steden op grote schaal sierappels en lijsterbessen zijn geplant, houden zwermen zich hele winters op in plaatsen als Fairbanks, Edmonton en Winnipeg.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in januari en februari niet in het bos maar in de straat: een rij sierappels op een parkeerterrein of langs een oprit, met de vruchten nog aan de takken. Hoor je boven je een aanhoudend ratelend gezoem, kijk dan omhoog naar de kruinen — de zwerm zit vaak eerst een tijd hoog in een kale boom voordat hij naar de bessen zakt. Let bij het fotograferen op de onderstaartdekveren: dat is het snelst te controleren kenmerk om te zien of er tussen de pestvogels ook cederpestvogels zitten.
Staat van instandhouding
De soort staat als niet bedreigd (LC) te boek en de Noord-Amerikaanse populatie wordt op enkele miljoenen vogels geschat; door de sterke schommelingen van jaar tot jaar is een trend moeilijk vast te stellen. Het broedgebied ligt grotendeels in dunbevolkt boreaal bos en verandert vooral door houtkap en bosbrand. Bij de winterzwermen in de stad vallen slachtoffers door botsingen met ruiten en door aanrijdingen, en bessen die door vorst en dooi zijn gaan gisten leveren dronken vogels op die tegen gevels aan vliegen.
Wetenschappelijke naam
Bombycilla garrulus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Lanius garrulus, bij de klauwieren; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Bombycilla werd in 1808 ingevoerd door Vieillot: bombyx is Grieks voor 'zijde' en cilla een als Latijn bedoeld woord voor 'staart', samen een vertaling van het Duitse Seidenschwanz. garrulus is Latijn voor 'babbelend', naar het aanhoudende geratel van een zwerm. Linnaeus gaf als herkomst Europa en noordelijk Amerika op; de typelocatie is later tot Zweden beperkt.




