Alle soorten › Steltloperachtigen › Alken › Duifzeekoet
Duifzeekoet | Cepphus columba
Pigeon Guillemot | Arao colombino
De duifzeekoet is de alk van de Pacifische rotskust: roetzwart met een wit vleugelveld dat door een donkere wig in tweeën wordt gedeeld, en met poten en mondholte van een schreeuwend scharlaken. Hij vist vlak onder de kust, op de bodem tussen de stenen, en broedt overal waar een spleet is — in een klif, onder een rotsblok, en zonder bezwaar ook in de kier van een pier of een golfbreker midden in een stad. Van alle alken van de Grote Oceaan wordt hij daardoor het vaakst gezien.
Geluid
Een van de meest spraakzame alken. Boven de kolonie en op het water klinkt een dun, hoog gefluit dat in toonhoogte omhoog en omlaag glijdt, meestal in lange series en vaak in duet: twee vogels beantwoorden elkaar in een trillend, sissend psie-sie-sie-siew. Ongepaarde mannetjes laten een lager, langgerekt gefluit horen, en bij gevaar klinkt een schril gegil. Bij het roepen wordt de bek wijd opengesperd, zodat de rode keel van veraf te zien is — het geluid en het rood horen bij elkaar.
Opname: Rachel Hudson — CC BY-NC-SA 4.0 · Budd Inlet, Thurston County, Washington, United States · xeno-canto
Herkenning
In broedkleed donker roetbruin tot zwart met een groenzwarte glans, en met een groot wit veld op de bovenvleugel dat aan de voorrand door een zwartbruine wig wordt ingesneden. De poten en zwemvliezen zijn scharlakenrood, evenals de mondholte; de bek is zwart, recht en spits. Man en vrouw zien er gelijk uit. In winterkleed worden kop, hals en onderdelen wit en de bovendelen grijs met een zwart-witte marmering, terwijl het witte vleugelveld met zijn donkere wig blijft staan. Jonge vogels hebben een grijs gestreepte kop en hals en een kleiner, donker doorschoten vleugelveld. De vlucht is laag en snorrend, met de rode poten als twee vlekjes achter de staart.
Verwarringssoorten
De zwarte zeekoet (Cepphus grylle) is de zustersoort van de Atlantische kant en lijkt in alles op hem, maar heeft het witte vleugelveld ongedeeld; de twee komen elkaar alleen bij de Beringstraat tegen en delen verder geen kust, dus in het veld is het geen echte verwarring maar een gelijkenis op papier. Binnen de Grote Oceaan is de wig in het witte veld het beslissende kenmerk. Zeekoet (Uria aalge) en kortbekzeekoet (Uria lomvia) zijn veel groter, met een langere hals en zonder wit op de vleugel. Vogels in winterkleed worden verward met de marmeralk en de Kittlitz' alk, maar die zijn veel kleiner en korter van bek, en missen zowel het grote witte vleugelveld als de rode poten.
Leefgebied
Rotskusten, klifranden, keienstranden en lage rotseilanden met een spleet, een holte onder een blok of een gat tussen boomwortels boven de vloedlijn; ook havenhoofden, pieren en betonnen golfbrekers voldoen. Hij foerageert vlak bij het nest, in water van hooguit dertig meter, boven rotsbodem, kelpbossen en getijdenstromen, waar hij hangend boven de bodem met de kop tussen de stenen naar vis en garnalen tast — een manier van jagen die geen andere alk zo gebruikt. Diepe oceaan buiten het continentale plat mijdt hij; hij komt zelden verder dan enkele kilometers uit de kust.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Van de Koerilen en Kamtsjatka over de Beringzee en de Aleoeten langs de hele Amerikaanse westkust naar het zuiden, via Alaska, Brits-Columbia, Washington en Oregon tot de Channel Islands van Zuid-Californië. Het grootste deel van de vogels blijft het hele jaar in hetzelfde kustgebied; alleen de noordelijkste, waar de zee dichtvriest, wijken uit naar open water bij de Aleoeten en de Golf van Alaska. In de zuidelijke helft van het areaal zijn ze in de winter minder zichtbaar omdat ze zich over beschutte binnenwateren en baaien verspreiden, niet omdat ze weg zijn. Naar Neder-Californië komt hij hooguit bij uitzondering.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem tussen april en juli vanaf de wal in de beschutte wateren van de Salishzee, Puget Sound of Prince William Sound: in de vroege ochtend liggen de paren voor de oever en achtervolgen elkaar over het water met de rode poten hoog. Kijk waar het klif of de zandsteenwand afbrokkelt, of onder een oude houten pier — daar zit de nestspleet vaak op ooghoogte. Op een wegvliegende vogel is het te doen om de wig: is het witte veld doorsneden, dan is het een duifzeekoet en niet de Atlantische soort.
Staat van instandhouding
De wereldpopulatie wordt op een kleine half miljoen vogels geschat en de trend is stabiel; de soort staat als niet bedreigd (LC) te boek. Omdat hij vlak onder de kust vist, is olie zijn grootste gevaar: na de ramp met de Exxon Valdez in Prince William Sound zijn de aantallen daar niet meer op het oude peil teruggekomen. Op eilanden zijn ingevoerde vossen en wasberen een tweede oorzaak, en kieuwnetten vlak onder de kust een derde. Waar zeeotters zijn verdwenen en zee-egels de kelpwouden hebben kaalgevreten, verdwijnt met het wier ook zijn jachtterrein.
Wetenschappelijke naam
Cepphus columba | Pallas, 1811
Pallas beschreef de soort in 1811 in zijn Zoographia Rosso-Asiatica als Cepphus columba; omdat ze nooit van geslacht is verwisseld, staan auteur en jaartal zonder haakjes. Cepphus gaat terug op het Griekse kepphos, de naam van een bleke zeevogel bij de oude schrijvers. columba is Latijn voor 'duif', naar de gedrongen vorm en de snelle, klapperende vleugelslag; sommigen zien er het IJslandse klumba voor alk in. De typelocatie is Kamtsjatka en de Beringstraat, het gebied waar Pallas' Russische verzamelaars werkten.



