Alle soorten › Zangvogels › Mezen › Gambels mees
Gambels mees | Poecile gambeli
Mountain Chickadee | Carbonero montañés
Gambels mees is de mees van de droge bergnaaldbossen van het westen. Hij is de enige Noord-Amerikaanse mees met een witte wenkbrauwstreep die de zwarte kap in tweeën deelt. Het areaal loopt van Zuid-Yukon en Brits-Columbia door de Rocky Mountains, het Grote Bekken en de Sierra Nevada tot de bergen van Arizona, New Mexico en Neder-Californië.
Geluid
De roep is een schorre, langzame tsjik-a-dee-dee-dee, lager en rauwer dan die van de Amerikaanse matkop. De zang is een gefloten reeks van drie of vier notities die trapsgewijs in toonhoogte zakt, vaak weergegeven als fee-bee-bee; bergvogels variëren het aantal notities per gebied. Verder klinken dunne tsie-notities binnen de wintertroepen en een snelle ratel bij verstoring aan de nestholte.
Opname: Andrew McCafferty — CC BY-NC-SA 4.0 · Manning Park, Okanagan-Similkameen, British Columbia, Canada · xeno-canto
Herkenning
Een grijs getinte mees met een zwarte kap, een zwarte keelvlek en een witte wang. Het kenmerk is de witte wenkbrauwstreep die tussen de zwarte kruin en de zwarte oogstreep door loopt tot in de nek; bij versleten zomervogels kan die streep smal en vuil worden, maar hij is vrijwel altijd te zien. Rug en flanken zijn grijs zonder bruin of oker, de onderdelen bleekgrijs tot wit. De snavel is kort en zwart. Snavelvorm verschilt per gebergte: korter en stomper in de Rocky Mountains, langer en spitser in het Grote Bekken, het grootst in de Sierra Nevada en de Cascaden.
Verwarringssoorten
De Amerikaanse matkop mist de witte wenkbrauwstreep, heeft okerkleurige flanken en een heldere fee-bie van twee notities; in de westelijke bergen leeft hij lager, langs beken en in loofhout, terwijl Gambels mees hoger in de naaldbossen zit. De kastanjerugmees heeft een kastanjebruine rug en geen wenkbrauwstreep. De grijsflankmees van Zuidoost-Arizona en Zuidwest-New Mexico heeft geen wenkbrauwstreep, een veel grotere zwarte keelvlek en grijze flanken; hun arealen overlappen nauwelijks. De harlekijnmees heeft een kuif en een zwart-wit getekend gezicht.
Leefgebied
Naaldbos in de bergen: ponderosaden, contortaden, douglasspar, spar-zilverdenbos en, op lagere hellingen, bos van pinyon (laaggroeiende den van de droge zuidwestelijke bergvoeten) en jeneverbes. Voor het nest wordt vaak een ratelpopulier opgezocht, omdat het zachte, aangetaste hout te bewerken is. De soort kan niet zelf een gave holte uithakken en gebruikt spechtenholten, natuurlijke spleten en nestkasten. Het vrouwtje maakt een kom van dierenhaar en dekt de eieren tijdens haar afwezigheid af met een propje haar. In de winter zakken de vogels naar lager gelegen bos en tuinen met voedersilo's.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel van Zuid-Yukon en het binnenland van Brits-Columbia en Zuidwest-Alberta zuidwaarts door Washington, Oregon, Idaho, Montana, Wyoming, Nevada, Utah, Colorado en Californië tot de bergen van Arizona en New Mexico. Naar het oosten reikt het areaal tot de Guadalupe Mountains in West-Texas, naar het zuiden tot de Sierra San Pedro Mártir in Neder-Californië. Echte trek is er niet, maar na het broedseizoen trekken de vogels de helling af; in jaren met een slechte kegeloogst verschijnen ze in aantal in laagland en woestijndalen buiten het gewone areaal.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in de zomer boven ongeveer 2000 meter in ponderosa- of spar-zilverdenbos en luister naar de dalende fluittoon; de vogel komt vaak op nabootsing af. Kijk altijd eerst naar de kop: bij fel tegenlicht is de witte wenkbrauwstreep het enige betrouwbare kenmerk. In de winter komt hij naar voedersilo's in bergdorpen, waar hij van dichtbij te zien is.
Staat van instandhouding
Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 7,9 miljoen vogels. De Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laat tussen 1966 en 2019 een afname van ongeveer 39 procent zien, waarmee de soort op de lijst 'gewone vogels in sterke achteruitgang' (Common Birds in Steep Decline) staat, ook al is de Rode Lijst-status niet bedreigd (LC). Grootschalige bosbranden en sterfte van naaldbomen door schorskevers veranderen het broedgebied; tegelijk levert dood hout op korte termijn juist nestholten op.
Wetenschappelijke naam
Poecile gambeli | (Ridgway, 1886)
Robert Ridgway beschreef de soort in 1886 als Parus gambeli; omdat ze later naar een ander geslacht is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Poecile werd in 1829 ingevoerd door Johann Jakob Kaup, naar het Griekse poikilos 'bont, gevlekt'. De soortnaam gambeli verwijst naar de Amerikaanse natuuronderzoeker William Gambel (1823–1849). Het beschreven exemplaar kwam van een plek op ongeveer een dagreis ten westen van Santa Fe, New Mexico.




