Alle soorten › Steltloperachtigen › Alken › Gehoornde papegaaiduiker
Gehoornde papegaaiduiker | Fratercula corniculata
Horned Puffin | Frailecillo corniculado
De gehoornde papegaaiduiker is de papegaaiduiker van de Noordelijke Grote Oceaan: zwart van boven, wit van onderen, met een hoge driehoekige snavel die in de zomer geel is met een rode punt. Het hoorntje waar hij naar heet is een klein zwart vleesspitsje dat recht boven het oog omhoog staat en dat je pas van dichtbij ziet. Verreweg de meeste broeden in Alaska, op eilanden in de Beringzee en langs de Aleoeten.
Geluid
In de kolonie komt het geluid uit de rotsspleten: een laag, snorrend orrr-orrr dat aanzwelt en weer wegsterft, en op afstand aan een motor doet denken. Voor de nestholte klinkt een kort, grommend arr als een andere vogel te dichtbij komt. Op zee is hij stil, en ook in de vluchten die 's avonds voor de klif rondcirkelen hoor je niets dan het suizen van de vleugels. Het jong is diep in de spleet nauwelijks te horen.
Opname: Andrew Spencer — CC BY-NC-SA 4.0 · Fort Abercrombie State Historic Park, Kodiak Island, Alaska, United States · xeno-canto
Herkenning
In broedkleed zijn de bovenzijde, de kruin en een brede band om de hals zwart, en zijn gezicht, borst en buik wit; de scheiding tussen beide loopt scherp. De snavel is hoog, zijdelings afgeplat en bijna driehoekig, geel aan de basis en rood aan de punt, met een gele huidplooi in de mondhoek. Boven elk oog staat een klein zwart vleeshoorntje rechtop, en vanaf het oog loopt een donkere streep naar achteren; de poten zijn oranjerood. Buiten het broedseizoen wordt het gezicht grijs tot donkergrijs, valt de gekleurde buitenlaag van de snavel af en blijft er een kleinere, doffe snavel over. Man en vrouw zijn gelijk; jonge vogels hebben een donker gezicht en een laag, donker snaveltje. In de vlucht is hij gedrongen en kortstaartig, met snelle, gonzende slagen en de oranje poten wijd uiteen naar achteren.
Verwarringssoorten
De kuifpapegaaiduiker (Fratercula cirrhata) broedt op dezelfde eilanden en heeft in broedkleed net zo'n wit gezicht, maar is geheel zwart van onderen en draagt twee lange strogele kuiven; de witte buik is van ver het snelste verschil. De neushoornalk (Cerorhinca monocerata) is donkerbruin met een vuilwitte buik, heeft een spitse vaalgele snavel met een hoorntje aan de basis en twee witte veerstrepen over het gezicht. De papegaaiduiker (Fratercula arctica) van de Atlantische Oceaan lijkt sterk op hem, maar komt in deze wateren niet voor. Buiten het broedseizoen, met grijs gezicht en kleine snavel, lijkt hij op zee het meest op de alken en zeekoeten waar hij tussen drijft; de dikke kop en de hoge snavelbasis blijven dan het houvast.
Leefgebied
Koud, voedselrijk zeewater boven het continentaal plat en rond eilanden, waar hij tot tientallen meters diep duikt op jonge vis en kreeftachtigen. Hij broedt op eilanden zonder vossen en ratten en legt zijn ene ei in een spleet tussen rotsblokken of in een scheur in een klifwand — anders dan de kuifpapegaaiduiker, die een hol graaft in de graszode boven de klif. Buiten de broedtijd zit hij ver uit de kust, verspreid over open zee, en komt hij nauwelijks binnen zicht van land. Beschutte binnenwateren en zandkusten gebruikt hij niet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt langs de Noordelijke Grote Oceaan, van Wrangel-eiland en Kamtsjatka over de Beringzee en de Aleoeten tot langs de zuidkust van Alaska, en verspreid zuidwaarts tot Brits-Columbia. Het zwaartepunt ligt in Alaska: daar zit vrijwel de hele Noord-Amerikaanse populatie, op eilandengroepen als de Pribilofeilanden, Sint-Laurenseiland en de Aleoeten. Na het broedseizoen trekken de vogels de open oceaan op en overwinteren ze ver uit de kust, sommige tot midden op de Grote Oceaan. In sommige voorjaren komen er tot voor Washington, Oregon en Californië, soms een klein aantal tegelijk.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De beste plek is een boot langs een klifkust in de Aleoeten of bij Kodiak in juli: kijk niet naar de richels zelf, maar naar het water eronder, waar de vogels in groepjes bij elkaar drijven voordat ze naar binnen gaan. Een vogel met de snavel dwars vol vis komt laag over het water aanvliegen en verdwijnt zonder aarzelen in een spleet. Vanaf de wal is het late licht het gunstigst: dan zijn de gele snavelbasis en de rode punt van elkaar te onderscheiden.
Staat van instandhouding
De soort geldt als niet bedreigd (LC); de wereldpopulatie wordt op meer dan een miljoen vogels geschat, met verreweg de meeste in Alaska. Ingevoerde vossen en ratten hebben in de twintigste eeuw hele eilandkolonies leeggemaakt, en sinds die dieren van tientallen Aleoeten zijn weggehaald keren de vogels er terug. Olie op zee, verdrinking in kieuwnetten en het uitblijven van vis in warme jaren blijven de voornaamste bedreigingen: in de winter van 2016 op 2017 spoelden bij de Pribilofeilanden duizenden verhongerde papegaaiduikers aan, vooral kuifpapegaaiduikers, maar ook vogels van deze soort.
Wetenschappelijke naam
Fratercula corniculata | (Naumann, 1821)
Naumann beschreef de soort in 1821 als Mormon corniculata, in het geslacht waarin de papegaaiduikers destijds stonden; omdat ze later bij Fratercula is ondergebracht, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Fratercula is middeleeuws Latijn voor 'broedertje', naar een zwart-wit verenkleed dat aan een monnikspij doet denken; het geslacht werd in 1760 ingevoerd door Brisson. corniculata is Latijn voor 'met een hoorntje', naar het zwarte vleesspitsje boven het oog. De typelocatie is Kamtsjatka: de soort is dus vanaf de Russische kant van de oceaan beschreven.



