Alle soortenSteltloperachtigenAlken › Cassins alk

Cassins alk | Ptychoramphus aleuticus

Cassin's Auklet | Mérgulo sombrío

Cassins alk is een kleine, egaal grijze alk van de koude opwellingszones voor de westkust, en daar een van de talrijkste zeevogels. In de vlucht lijkt hij op een grijze bal met vleugels. Op zijn broedeiland is hij alleen 's nachts te zien, en in een warme winter kunnen er tienduizenden tegelijk verhongeren.

Cassins alk (Ptychoramphus aleuticus)
Foto: Department of the Interior. U.S. Fish and Wildlife Service. National Conservation Training Center. 10/1997-8888 — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

Uit de gang klinkt een herhaalde, dalende krijs met een gedempte klank, die aan het alarmgeroep van een stern doet denken. Paren maken daarbij zachte, krekelachtige snorrende geluiden en korte keelklanken. Jongen sissen, hoorbaar tot buiten de gang. Een kolonie met duizenden vogels levert na zonsondergang een aanhoudend geluid op dat over het hele eiland draagt; overdag en op zee is de vogel stil.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een kleine, ronde alk met een bolle kop, een zeer korte hals, korte stompe vleugels en een korte staart. Donkergrijs van boven, iets lichter grijs op de borst, met een witte buik en witte onderstaart die naar achteren toe als een scherpe grens oplichten. Het oog is licht, met een kort wit boogje erboven dat als een wenkbrauw oogt; de snavel is donker met een lichte vlek aan de basis van de ondersnavel. De onderzijde van de vleugel toont een dunne witte streep. Jonge vogels zijn bleker, met een witachtige keel en een donkerder oog en snavel. Het kleed verandert door het jaar heen nauwelijks; een apart broedkleed is er niet.

Verwarrings­soorten

De zilverkopalk (Synthliboramphus antiquus) heeft een zwarte kap die scherp tegen de grijze rug afsteekt, witte onderdelen tot in de hals, en een bleke snavel. De marmeralk (Brachyramphus marmoratus) is in winterkleed veel contrastrijker, met witte schouderstrepen en een witte halsring. De neushoornalk (Cerorhinca monocerata) is ruim twee keer zo zwaar en heeft een zware oranje snavel. In de Aleoeten komen kleinere alken erbij: de kleinste alk (Aethia pusilla) heeft een witte, donker gespikkelde buik en een piepklein rood snaveltje. Bij alle vier helpt hetzelfde kenmerk: bij Cassins alk lopen grijs en wit in elkaar over, bij de andere staan donker en wit scherp tegenover elkaar.

Leefgebied

Hij broedt op eilanden zonder roofdieren, in gangen die hij zelf in de bodem graaft of in spleten tussen rotsblokken; eilanden met gesloten bos slaat hij over. Op zee zoekt hij het water boven de rand van het continentale plat op, en vooral de koude opwellingszones waar krill dicht bij de oppervlakte komt. Daarmee is hij sterker aan koud water gebonden dan de andere alken van de westkust. In warme jaren verschuift dat water en verdwijnt hij uit grote delen van zijn gewone gebied.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Hij broedt op eilanden van de Aleoeten en Zuid-Alaska via Brits-Columbia, Washington en Oregon tot Californië en de eilanden voor Neder-Californië. De grootste kolonie ligt op Triangle Island voor de noordpunt van Vancouvereiland; die op de Farallon-eilanden is sterk teruggelopen. Noordelijke vogels trekken 's winters zuidwaarts naar open water voor Californië en Neder-Californië, terwijl de zuidelijke vogels het hele jaar bij hun eiland blijven — die leggen daar als enige alk ter wereld twee broedsels per jaar. Na aanhoudende storm spoelen op de stranden van Oregon en Washington soms honderden dode vogels aan.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in de zomer mee met een pelagische tocht vanaf Monterey, Bodega Bay of Westport en kijk laag op het water tussen de pijlstormvogels door: kleine donkere vogels die pas op het laatste moment opvliegen en dan snel en recht wegdraaien. Vanaf land is hij vrijwel niet te zien. Na een najaarsstorm loont een wandeling over het strand: aangespoelde vogels laten de witte buik en het lichte boogje boven het oog van dichtbij zien.

Staat van instandhouding

Partners in Flight schat de wereldpopulatie op ongeveer 3,6 miljoen vogels; de trend over de laatste veertig jaar is dalend en de soort staat als gevoelig op de Rode Lijst. De grootste klap komt van warm zeewater: in 2014 stierven bij een ongewoon warme Grote Oceaan naar schatting vijftig- tot honderdduizend vogels van de honger. Daarnaast spelen ingevoerde roofdieren op broedeilanden, verdrinking in netten, olie en plastic een rol.

Wetenschappelijke naam

Ptychoramphus aleuticus | (Pallas, 1811)

Pallas beschreef de soort in 1811 als Uria aleutica; omdat ze later in een eigen geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Dat geslacht, Ptychoramphus, werd in 1837 ingevoerd door Brandt; de naam betekent 'plooisnavel', van het Griekse ptyx (plooi, groef) en rhamphos (snavel), naar de groef in de ondersnavel. aleuticus betekent 'van de Aleoeten'. Pallas gaf als typelocatie alleen 'de Russische wateren van de oostelijke oceaan', dat wil zeggen de noordelijke Grote Oceaan. De Nederlandse en de Engelse naam eren John Cassin, een negentiende-eeuwse vogelkundige uit Philadelphia.