Alle soorten › Steltloperachtigen › Alken › Zilveralk
Zilveralk | Synthliboramphus antiquus
Ancient Murrelet | Mérgulo antiguo
De zilveralk broedt in zelfgegraven holen onder de wortels van sitkasparren, soms honderden meters landinwaarts — een bosvogel onder de alken. Zijn kuikens verlaten het hol één tot drie dagen na het uitkomen, midden in de nacht en zonder ooit gevoerd te zijn, en rennen naar de branding, waar de ouders roepend op zee liggen te wachten.
Geluid
Bij de kolonie klinkt in het donker een hoog, fluitend tsjie-tsjie-tsjie en een reeks ijle, dunne tonen die ver over het bos dragen. Op het water voor de kust roepen de ouders hun jong met een aanhoudend, doordringend gepiep, soms een uur lang achtereen. De kuikens antwoorden vanaf de helling met een fijn psiet, dat de ouders er tussen het geluid van de branding uit horen. Buiten de broedtijd is de soort stil.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Grijze rug en schouders, zwarte kop en nek, witte onderdelen, en een korte, dikke, ivoorwitte snavel. In broedkleed is de keel zwart en loopt er over kruin en nek een sprenkeling van dunne witte veertjes, als een sjaal over de schouders. In de winter verdwijnt het zwart van de keel en wordt de grens tussen zwarte kap en grijze rug minder scherp. In de vlucht valt een donkere streep langs de flank op tegen een zuiver witte ondervleugel. Jonge vogels lijken op vogels in winterkleed maar zijn valer van kop. Op het water zit hij laag, met de snavel iets omhoog.
Verwarringssoorten
De marmeralk (Brachyramphus marmoratus) en kittlitz' alk (Brachyramphus brevirostris) zijn in winterkleed ook grijswit, maar hebben witte schouderstrepen, een donkere snavel en een witte halskraag, en missen de zwarte kap tot onder het oog. Xantus' alk (Synthliboramphus hypoleucus) en scripps' alk (Synthliboramphus scrippsi) hebben een zwarte in plaats van grijze rug en een wit gezicht, en leven veel zuidelijker. De duifzeekoet (Cepphus columba) is groter, met een grote witte vleugelvlek en rode poten. Op afstand geeft de bleke snavel tegen een zwarte kop de doorslag.
Leefgebied
Broedt op eilanden met een dikke bosbodem: de holen liggen tussen boomwortels, onder omgevallen stammen of in graspollen, en soms in rotsspleten. De rest van het jaar leeft hij op open zee, meestal boven de rand van het continentaal plat en verder uit de kust dan de meeste andere alken. In de winter komt hij ook in luwe kustwateren, waar hij in groepjes van enkele tientallen drijft; hij mijdt ondiepe binnenbaaien.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt van de Gele Zee en het Russische Verre Oosten over de Aleoeten en de Golf van Alaska tot Brits-Columbia, met ongeveer de helft van de wereldpopulatie op Haida Gwaii. Een deel van de vogels trekt duizenden kilometers naar de wateren bij Japan en China; een ander deel schuift langs de Noord-Amerikaanse kust naar het zuiden en is van oktober tot maart geregeld voor Washington en Oregon te zien, in kleiner aantal tot in Californië. Van alle alken duikt deze het vaakst ver in het binnenland op — er zijn waarnemingen tot in Ontario, Quebec en New York, en zelfs uit West-Europa.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga van oktober tot december op een kaap aan de kust van Washington of Brits-Columbia staan: dan trekken groepjes laag over het water langs, en met een telescoop zie je de zwarte kop met de bleke snavel tegen de grijze rug afsteken. Zoek de vogels eerder ver uit de kust dan in de baaien, en let op de manier van duiken: een kort sprongetje vooruit en dan weg, zonder plons.
Staat van instandhouding
De wereldpopulatie telt naar schatting meer dan een miljoen vogels, maar in Canada is de soort in een eeuw sterk achteruitgegaan. Op broedeilanden waar ratten of wasberen zijn beland, verdwijnen de holen: op één eiland liep de stand terug van zo'n tweehonderdduizend broedvogels naar veertienduizend. Het uitroeien van die ingevoerde roofdieren op de eilanden van Haida Gwaii is de belangrijkste maatregel; daarnaast tellen olievervuiling en verdrinking in kieuwnetten mee.
Wetenschappelijke naam
Synthliboramphus antiquus | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Alca antiqua, bij de alken; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Synthliboramphus is samengesteld uit het Oudgriekse sunthlibo, 'samendrukken', en rhamphos, 'snavel', naar de korte, hoge en zijdelings afgeplatte snavel. antiquus is Latijn voor 'oud': de grijze mantel op een zwarte kop deed aan de sjaal van een oude vrouw denken, en dat beeld zit ook in de Engelse en Spaanse naam. Als typelocatie geeft Gmelin het gebied ten westen van Noord-Amerika tot Kamtsjatka en de Koerilen op, dat wil zeggen de Beringzee.



