Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Gestreepte strandloper

Gestreepte strandloper | Calidris melanotos

Pectoral Sandpiper | Correlimos pectoral

De gestreepte strandloper draagt zijn kenmerk op de borst: een dicht gestreepte band die als een slab abrupt tegen de witte buik afbreekt. Mannetjes zijn tot de helft zwaarder dan vrouwtjes en blazen in de baltsvlucht een luchtzak in de hals op, waarmee ze boven de toendra een hol geloei laten horen.

Gestreepte strandloper (Calidris melanotos)
Foto: Andrew C — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De vluchtroep is een laag, schor en droog krrp, meestal te horen op het moment dat de vogel uit het gras opvliegt. In de baltsvlucht laat het mannetje met zijn opgeblazen halszak een reeks holle, dreunende hoempen horen, laag over het vrouwtje scherend in het schemerdonker van de arctische zomernacht. Op de grond nadert hij haar met opgezette borst, hangende vleugels en opgeheven staart. Buiten het broedgebied blijft het bij zacht geknor in een groepje.

Luister: VluchtroepXC1050169

Opname: JAYRSON ARAUJO DE OLIVEIRA — CC BY-NC-SA 4.0 · Embrapa Arroz-Feijão, Goianira, Goiás, Brazil · xeno-canto

Herkenning

Een stevige, middelgrote strandloper met gelige poten en een vrij lange, aan de basis dikke en licht gebogen snavel met lichte basis. Van boven bruin, goud en zwart getekend, van onderen wit, met de scherp begrensde gestreepte borstband als beslissend kenmerk. Jonge vogels hebben roestige veerranden, witte mantelstrepen en een fijner gestreepte borst, maar dezelfde harde grens. Mannetjes zijn duidelijk groter dan vrouwtjes — naast elkaar lijken het soms twee soorten. In vlucht toont hij nauwelijks een vleugelstreep en oogt hij langgerekt met een kleine kop.

Verwarrings­soorten

De Siberische strandloper (Calidris acuminata), in Alaska en langs de westkust een jaarlijkse gast, heeft als jonge vogel een roestrode kruin, een brede witte wenkbrauwstreep en een ongestreepte oranje borst zonder harde onderrand. Bairds strandloper (C. bairdii) is kleiner, heeft zwarte poten en een borst die geleidelijk in het wit overgaat. De kleinste strandloper (C. minutilla) heeft eveneens gele poten en een gestreepte borst en wordt dan ook voortdurend verwisseld, maar is nauwelijks half zo zwaar. Een forse vogel met kleine kop en lange poten kan ook een kemphaan zijn, die de scherpe borstgrens volledig mist.

Strandlopers, ruiters en snippen vergelijken: snavel, poten, vleugelstreep en stuit

Leefgebied

Natte, grazige plekken in plaats van open slik: zeggemoerassen, natte weiden, ondergelopen akkers, rijstvelden, graszodenvelden en de begroeide randen van plassen en bezinkvijvers. Staat een groepje strandlopers in het gras in plaats van op de plaat, dan is dit vaak de soort. Hij broedt op natte, grazige kusttoendra, met het nest op een iets hoger en droger richeltje van waaraf hij overzicht heeft. Kale zeeslikken en zandstranden gebruikt hij weinig.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt van het schiereiland Jamal oostwaarts tot Tsjoekotka, en van westelijk en noordelijk Alaska door noordelijk Canada tot in de arctische eilanden. Bijna de hele populatie trekt naar Zuid-Amerika, tot in Argentinië en Vuurland; enkele vogels uit Siberië bereiken Australië en Nieuw-Zeeland. De heenreis loopt in het voorjaar vooral door het binnenland en de Mississippi-vallei, de terugreis breder en later, met volwassen vogels in augustus en jonge vogels in september en oktober. Van alle Amerikaanse strandlopers is hij de bekendste dwaalgast in West-Europa: in Groot-Brittannië en Ierland jaarlijks, in het najaar van 2003 met bijna tweehonderd vogels tegelijk.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Loop in september langs de grazige rand van een ondergelopen weiland of een bezinkvijver en let op wat er úít het gras opvliegt: deze soort zit vaak verscholen en verraadt zich met zijn schorre krrp. Zie je hem staan, kijk dan naar de onderrand van de streping — die hoort als met een liniaal tegen het wit af te lopen. Twee vogels van verschillend formaat naast elkaar zijn hier geen twee soorten maar een mannetje en een vrouwtje.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie wordt op ongeveer 1,6 miljoen broedvogels geschat. De IUCN rekent de soort tot niet bedreigd (LC), maar in vijftig jaar is meer dan de helft verdwenen. Waaraan die afname ligt is niet duidelijk; verlies van natte graslanden langs de trekroute en in het overwinteringsgebied wordt het vaakst genoemd. Doordat hij zich buiten het broedseizoen over veel kleine, verspreide terreintjes verdeelt, is hij moeilijk te tellen en wordt een achteruitgang laat opgemerkt.

Wetenschappelijke naam

Calidris melanotos | (Vieillot, 1819)

Vieillot beschreef de soort in 1819 als Tringa melanotos; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris gaat terug op het Griekse kalidris, bij Aristoteles de naam voor een grijze vogel van de waterkant. melanotos is samengesteld uit het Griekse melas, 'zwart', en nōtos, 'rug'. Vieillot kende de vogel niet uit het noorden maar uit Azara's beschrijving van Paraguayaanse vogels: de typelocatie ligt dus in het overwinteringsgebied, duizenden kilometers van de toendra waar hij broedt.