Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Bairds strandloper

Bairds strandloper | Calidris bairdii

Baird's Sandpiper | Correlimos de Baird

Bairds strandloper is de langvleugelige onder de kleine strandlopers: in rust steken de vleugelpunten duidelijk voorbij de staart uit. Hij broedt op de droogste toendra van het hoge noorden en overwintert in de Andes en op de vlakten van zuidelijk Zuid-Amerika, een reis van ruim tienduizend kilometer per keer.

Bairds strandloper (Calidris bairdii)
Foto: Jason Crotty — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op de broedgrond zingt het mannetje in een hoge, trage baltsvlucht: een snorrende triller, dan stijgende toe-wie-tonen en tot slot een ratelend motief. Onderweg is hij veel stiller; de gewone roep is een laag, schor en rollend krriep, sterk lijkend op dat van de gestreepte strandloper. In een groepje langs een oever klinkt daarnaast zacht getril. Wie op de prairie een enkele krriep uit de lucht hoort, kijkt omhoog: de vogel trekt vaak hoog en alleen.

Luister: VluchtroepXC921005

Opname: Alvaro Rivera Rojas — CC BY-NC-SA 4.0 · Galindo, San Juan del Río Municipality, Querétaro, Querétaro, Mexico · xeno-canto

Herkenning

Een kleine, langgerekte strandloper met zwarte poten, een korte, rechte, fijne donkere snavel en de langste vleugels van alle kleine strandlopers — in zit reiken de punten voorbij de staartpunt. De bovendelen zijn donkerbruin met zwarte tekening, de onderdelen wit, met een beige, fijn gestreepte borst die geleidelijk in het wit overloopt. Jonge vogels hebben brede lichtbeige veerzomen die de rug een net geschubd patroon geven; in dat kleed worden de meeste vogels in het zuiden gezien. De staart heeft een donker midden met witte zijkanten. In vlucht is de witte vleugelstreep smal en oogt de vogel slank en langgerekt.

Verwarrings­soorten

Bonapartes strandloper (Calidris fuscicollis) heeft óók vleugelpunten voorbij de staart, maar toont in vlucht een geheel witte stuit, is grijzer en heeft streping tot ver op de flanken. De gestreepte strandloper (C. melanotos) is groter, heeft gele poten en een borstband die scherp tegen de witte buik afbreekt in plaats van te vervagen. De grijze strandloper (C. pusilla) en de alaskastrandloper (C. mauri) zijn korter van vleugel — de punten reiken niet voorbij de staart. Jonge vogels worden ook wel voor een drieteenstrandloper aangezien, maar die is bleker, dikker van snavel en mist de beige waas over de borst.

Strandlopers, ruiters en snippen vergelijken: snavel, poten, vleugelstreep en stuit

Leefgebied

Op trek een vogel van drogere plekken dan de meeste strandlopers: kortgrasprairie, kale akkers, graszodenvelden, en vooral de droogvallende modderranden van prairieplassen en stuwmeren. Diep water en uitgestrekte zeeslikken mijdt hij; hij loopt liever door lage vegetatie dan door de branding. Hij broedt op droge, schaars begroeide hoogarctische toendra, op hellingen en grindruggen vaak ver van de zee. In de Andes overwintert hij tot boven de vierduizend meter, op kale vlakten en langs uitdrogende zoutmeren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt van Wrangel-eiland en oostelijk Tsjoekotka door noordelijk en centraal Alaska, over de arctische eilanden van Canada tot in noordwestelijk Groenland. Overwintert in de bergen en langs de kust van zuidelijk Peru door Chili tot Vuurland. De trek loopt vooral door het binnenland: in het voorjaar bijna uitsluitend over de Great Plains, in het najaar in een bredere waaier, waarbij vooral jonge vogels tot aan beide kusten opduiken. In West-Europa is hij een zeldzame maar bijna jaarlijkse dwaalgast, meestal een jonge vogel in september.

  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in augustus en september op de kale, opgedroogde oever van een prairieplas of stuwmeer, of op een pas gemaaid graszodenveld — niet aan de waterlijn maar tien meter erboven. Let op de zithouding: een strandloper met vleugelpunten voorbij de staart is in Noord-Amerika bijna altijd deze soort of Bonapartes strandloper. Allebei ogen ze een slag langer en platter dan de kleine strandlopers ernaast.

Staat van instandhouding

Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldpopulatie op ongeveer 300.000 broedvogels en classificeert de soort als niet bedreigd (LC). De trend is onbekend, doordat zowel het broedgebied als het overwinteringsgebied afgelegen is en tellingen er nauwelijks in reeksen bestaan. De grootste onzekerheid is het klimaat: droge hoogarctische toendra en de hooggelegen Andesmeren zijn allebei gevoelig voor verandering.

Wetenschappelijke naam

Calidris bairdii | (Coues, 1861)

Coues beschreef de soort in 1861 als Actodromas bairdii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris gaat terug op het Griekse kalidris, bij Aristoteles de naam voor een grijze vogel van de waterkant. De soortnaam eert Spencer Fullerton Baird, de leidende figuur van het Smithsonian Institution en de leermeester van Coues. Het beschreven exemplaar kwam van Fort Resolution aan het Great Slave Lake, in de huidige Northwest Territories.