Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Grijswangdwerglijster

Grijswangdwerglijster | Catharus minimus

Gray-cheeked Thrush | Zorzalito carigrís

De grijswangdwerglijster is de noordelijkste van de Noord-Amerikaanse Catharus-lijsters: hij broedt in wilgen- en elzenstruweel tot voorbij de boomgrens, van Newfoundland tot in Siberië, en overwintert in het Amazonebekken. Het is de grijsste en effenste van de groep, zonder okerkleurige tint in het gezicht.

Grijswangdwerglijster (Catharus minimus)
Foto: Mykola Swarnyk — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een dunne, nasale reeks van vier tot vijf frases die in een spiraal omlaag draait en aan het eind wegvalt, ongeveer tsjie-a, tsjie-oo, wie-oh, wiea. Het neerwaartse verloop en de nasale klank scheiden hem van de opgaande zang van de dwerglijster. De roep is een hoog, nasaal en dalend kwie-ar, ook 's nachts boven trekkende vogels te horen; die nachtelijke roep is een van de weinige manieren om de soort op trek vast te stellen.

Luister: ZangXC940496

Opname: Seth Beaudreault (Toolik Field Station) — CC BY-NC-SA 4.0 · Tall Shrubs between Pump 3 and Oil Spill Hill, United States · xeno-canto

Herkenning

De bovenzijde is grijsbruin en effen, zonder roodbruin in vleugel of staart. Het gezicht is grijs en vlak, met een smalle, grijzige en vaak onvolledige oogring en zonder okerkleurige teugel. De bovenborst is vuilwit tot flauw okerkleurig, met scherp afgetekende donkere vlekken die tot op de keelzijden doorlopen; de flanken zijn uitgebreid grijs, de buik wit. De ondersnavel is aan de basis geelachtig tot hoornkleurig. De poten zijn roze tot grijsroze.

Verwarrings­soorten

De dwerglijster heeft een volle okerkleurige oogring en okerkleurige wangen — het snelste onderscheid. Bicknells dwerglijster is kleiner, warmer bruin, met roodbruin in staart en handpennen, meer geel aan de snavelbasis, en een zang waarvan de laatste frase juist omhoog gaat in plaats van omlaag. De heremietlijster heeft een roodbruine staart die tegen de rug afsteekt en wipt zijn staart. De veery is rossig van boven met vage vlekken. Bij zwijgende vogels blijft de combinatie grijs vlak gezicht, grijze flanken en effen grijsbruine staart het bruikbaarst.

Leefgebied

Dicht, laag struweel van wilg, els en dwergberk in de overgangszone tussen taiga en toendra, en open sparren- en balsemdenbos met een dichte ondergroei. Op Newfoundland broedt hij ook in laag kustbos en struweel tot vlak bij zee. Op trek zit hij in bosjes, houtwallen, struweel met bessen en stadsparken, meestal laag en in de dekking. In de winter zit hij op de bodem en in de onderlaag van vochtig tropisch laaglandbos.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het broedgebied loopt van Oost-Siberië over heel Alaska, Yukon, de Northwest Territories en het noorden van de prairieprovincies naar Noord-Ontario, Quebec, Labrador en Newfoundland. De trek gaat vrijwel geheel ten oosten van de Rocky Mountains, over het Midwesten en de oostelijke staten, door de Golfkust en Mexicaanse laaglanden en over de Grote Antillen. Overwinteren doet hij in het noorden van Zuid-Amerika, vooral in Colombia, Venezuela, Ecuador, Peru en het noordwesten van Brazilië. De doortrekverdeling over de Mexicaanse deelstaten is uit de literatuur slechts globaal af te leiden.

  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

De beste kans is de tweede helft van mei in een bosje aan de rand van een stad of langs een meer, wanneer de vogels korte tijd in de lagere struiklaag foerageren. Let eerst op wat ontbreekt: geen okerkleurige bril, geen roodbruine staart. Wie in september op een windstille nacht buiten luistert naar de nasale, dalende kwie-ar-roepen hoog boven zich, telt vaak meer grijswangdwerglijsters dan hij er overdag ziet.

Staat van instandhouding

De soort staat als niet bedreigd (LC) te boek; de wereldpopulatie wordt op enkele miljoenen vogels geschat, maar het broedgebied ligt grotendeels buiten het bereik van de Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey), zodat de trend slecht meetbaar is. De ondersoort van Newfoundland is sinds de jaren tachtig sterk afgenomen; als oorzaken worden de geïntroduceerde rode eekhoorn, die nesten leegrooft, en veranderingen in het kustbos genoemd. Elders spelen verlies van winterhabitat in het Amazonebekken en sterfte door botsingen met zendmasten en verlichte gebouwen op trek.

Wetenschappelijke naam

Catharus minimus | (de Lafresnaye, 1848)

De Lafresnaye beschreef de soort in 1848 als Turdus minimus, naar een handelsbalg met Bogotá als herkomst, vermoedelijk een overwinterende vogel. Omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Catharus komt van het Griekse katharos 'zuiver, schoon'. De soortnaam minimus is Latijn voor 'de kleinste', al is de soort niet de kleinste van het geslacht. De Nederlandse en Engelse naam noemen allebei de grijze wang.