Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Heremietlijster
Heremietlijster | Catharus guttatus
Hermit Thrush | Zorzalito colirrufo
De heremietlijster is de enige Catharus-lijster die in groten getale binnen Noord-Amerika overwintert; de andere vier trekken naar de tropen. Hij is te herkennen aan de roodbruine staart die tegen de olijfbruine rug afsteekt en aan de gewoonte die staart bij het neerzetten omhoog te wippen en langzaam te laten zakken.
Geluid
De zang opent met een lang aangehouden, heldere fluittoon, gevolgd door een reeks ijle, doorschijnende tonen die omhoog en omlaag krullen; na een pauze volgt een nieuwe strofe op een andere toonhoogte. Die inleidende fluittoon, telkens op een andere hoogte, is het meest bruikbare kenmerk. De gewone roep is een laag, droog tsjoep, daarnaast een opgaand, nasaal wiiii en bij onrust een snel tuk-tuk-tuk. In de winter zwijgt de zang en hoor je vrijwel alleen het tsjoep.
Opname: steve — CC BY-SA 4.0 · Gustavus, Hoonah-Angoon Census Area, Alaska, United States · xeno-canto
Herkenning
Bovenzijde olijfbruin tot grijsbruin, met een duidelijk roodbruine stuit en staart die er tegen afsteken — het enige veldkenmerk dat bij alle populaties werkt. De oogring is volledig en vuilwit, smaller dan de okerkleurige bril van de dwerglijster. De borst is vuilwit met scherpe, ronde donkere vlekken, de flanken grijsbruin, de buik wit. De poten zijn roze. Kenmerkend is het gedrag: bij het landen wipt hij de staart omhoog en laat hem langzaam zakken, en hij flikkert daarbij met de vleugels.
Verwarringssoorten
De dwerglijster heeft een volle okerkleurige oogring en een effen staart zonder roodbruin. De grijswangdwerglijster is grijzer in het gezicht, heeft een onvolledige oogring en ook een effen staart. De veery is rossig over de hele bovenzijde, dus zonder contrast tussen rug en staart, en heeft vagere vlekken. De Amerikaanse boslijster is groter, roodbruin op kop en rug en zwaar rond gevlekt tot op de buik. Westelijke heremietlijsters uit de Rocky Mountains zijn groter en grijzer, kustvogels kleiner en donkerder, maar het staartcontrast blijft bij alle.
Leefgebied
Naald- en gemengd bos met open plekken en bosranden: boreaal sparren- en dennenbos, bergnaaldbos van Cascades en Rocky Mountains, en in het oosten gemengd bos met hemlock en berk. Hij foerageert op de bosbodem tussen de strooisellaag. In de winter verschuift hij naar loofbos, struweel met bessen, jeneverbes- en droog dennenbos, tuinen en parken, vaak op plekken met dichte dekking en veel grondstrooisel.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied loopt van Alaska en Yukon door het boreale Canada tot Newfoundland en Nova Scotia, zuidwaarts langs de westelijke gebergten tot Zuid-Californië, Arizona en New Mexico en in het oosten tot de Appalachen en New England. Het winterareaal beslaat het zuiden van de Verenigde Staten van Californië tot Florida en verder tot in Mexico en Guatemala; in het westen broeden en overwinteren beide binnen dezelfde staten, maar op verschillende hoogte. De verdeling over de Mexicaanse deelstaten is uit arealenbeschrijvingen afgeleid en op het niveau van afzonderlijke staten onzeker.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In de winter is dit de enige dwerglijster die je in het zuiden van de Verenigde Staten aan de rand van een bosje of in een tuin met bessenstruiken kunt tegenkomen: elke Catharus-lijster daar tussen november en maart is vrijwel zeker een heremietlijster. Kijk niet eerst naar de kleur maar naar de staart — het langzame zakken na een wip verraadt de soort ook in schemerlicht.
Staat van instandhouding
De Noord-Amerikaanse populatie wordt op tientallen miljoenen vogels geschat en de Breeding Bird Survey laat sinds 1966 een licht stijgend verloop zien; de soort staat laag op de Continental Concern Score. Het broedgebied ligt grotendeels in bos dat weinig is aangetast, en de soort broedt ook in jong bos op kapvlakten. Sterfte door botsingen met ramen en verlichte gebouwen op trek en door huiskatten in de winterkwartieren zijn de bekendste knelpunten.
Wetenschappelijke naam
Catharus guttatus | (Pallas, 1811)
Pallas beschreef de soort in 1811 als Muscicapa guttata, naar een exemplaar van Kodiak Island in Alaska dat via de Russische expedities in Sint-Petersburg belandde; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Catharus komt van het Griekse katharos 'zuiver, schoon'. De soortnaam guttatus is Latijn voor 'gespikkeld', van gutta 'druppel', naar de vlekken op de borst. De Engelse en Nederlandse naam verwijzen naar de teruggetrokken levenswijze in de ondergroei.





