Alle soorten › Steltloperachtigen › Jagers › Grote jager
Grote jager | Stercorarius skua
Great Skua | Págalo grande
De grote jager is de zwaarste van de jagers: een bruine, gedrongen zeevogel met een korte staart en een felle witte vleugelvlek, gebouwd om andere zeevogels hun vangst af te nemen. In Noord-Amerika broedt hij niet — hij komt er in de winter, ver uit de kust, uit kolonies op IJsland, de Faeröer en Schotland.
Geluid
Op zee zwijgt hij vrijwel altijd. Bij de kolonie roept hij een hard, blaffend hah-hah-hah-hah, en daarnaast kwakende en krassende geluiden die eerder aan een eend dan aan een meeuw doen denken. Wie hem in Noord-Amerikaanse wateren voor de boeg krijgt, hoort hem dus zelden; het enige geluid is meestal het gekrijs van de meeuwen die hij opjaagt.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Eastern Region, Iceland · xeno-canto
Herkenning
Een zware, breed gebouwde zeevogel met een tonvormige borst, brede vleugels en een korte staart die nauwelijks uitsteekt. Het verenkleed is warm grijsbruin en overal licht gestreept en gevlekt, met een donkere kap; op elke vleugel staat aan de basis van de handpennen een grote witte vlek die bij elke slag oplicht. Mannetje en vrouwtje zien er hetzelfde uit, al zijn vrouwtjes gemiddeld zwaarder. Jonge vogels zijn warmer en roestiger bruin en missen de streping op de onderdelen. De snavel is zwaar, zwart en aan de punt gehaakt, en de vlucht is traag en log tot hij een prooi ziet en in één keer scherp en snel wordt.
Verwarringssoorten
De zuidpooljager (Stercorarius maccormicki) lijkt er het meest op: die is kouder grijsbruin en ongestreept, met een lichte nek die tegen de donkere vleugels afsteekt, en hij is in Noord-Amerikaanse wateren juist in het zomerhalfjaar aanwezig terwijl de grote jager er in de winter zit. Bij de middelste jager (Stercorarius pomarinus) is het lijf slanker, de buik wit met een donkere borstband, en de witte vleugelvlek veel smaller. Donkere middelste jagers lijken op afstand nog het meest op een grote jager, maar hun vlucht is lichter en meer meeuwachtig, en volwassen vogels dragen gedraaide, lepelvormige middelste staartpennen. Grootte helpt: een grote jager doet in silhouet aan een Amerikaanse zilvermeeuw denken, de kleine jager (Stercorarius parasiticus) aan een stern.
Leefgebied
Buiten de broedtijd leeft hij volledig op open zee, vaak boven de rand van het continentale plat en bij visserijschepen, waar hij achter de trawlers aan vaart voor de overboord gezette bijvangst. In Noord-Amerika komt hij bijna nooit binnen zicht van land; wie hem wil zien moet de zee op. Broeden doet hij ver hiervandaan, op laag begroeide heide en grasland van eilanden in de noordelijke Atlantische Oceaan, meestal in de buurt van de zeevogelkolonies waarvan hij leeft. Havens, baaien en binnenwater mijdt hij.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt op IJsland, de Faeröer, in Noorwegen met Spitsbergen, op de Schotse eilanden en in het noordwesten van Rusland, en steekt na de broedtijd de Atlantische Oceaan over. Van oktober tot februari zit hij regelmatig ver voor de kust van Newfoundland, Nova Scotia en New England, en in kleinere aantallen zuidwaarts tot in de Golfstroom bij North Carolina; een enkele niet-broedende vogel blijft de hele zomer op zee. De broedpopulatie groeide in de twintigste eeuw sterk toen de visserij grote hoeveelheden bijvangst overboord zette. Die groei is omgeslagen: de aanvoer loopt terug en de vogelgriep heeft de kolonies zwaar getroffen.
Waar en wanneer kijken
Ga in november of december mee met een pelagische tocht vanaf Cape Cod, Nova Scotia of de rand van de Golfstroom, en let op het moment waarop een groep meeuwen plotseling uiteenstuift: daar zit hij. Kijk naar de witte vleugelvlek — bij een grote jager is die breed en van boven en van onderen even fel, en op grote afstand vaak het enige wat je ziet. Vanaf het strand is de kans klein; hij komt zelden binnen zicht van land.
Staat van instandhouding
De soort staat als niet bedreigd (LC) te boek, maar de broedpopulatie is klein en sterk geconcentreerd: verreweg de meeste paren broeden in Schotland, op IJsland en op de Faeröer. De vogelgriep van 2022 sloeg hard toe: op Hermaness liep het aantal paren terug van 955 in 2018 naar 220 in 2024, op Noss van 476 naar 80. Daarnaast werkt de teruglopende bijvangst van de visserij tegen hem, want daar leefde hij in de zomer sterk van.
Wetenschappelijke naam
Stercorarius skua | (Brünnich, 1764)
Brünnich beschreef de soort in 1764 als Catharacta skua; omdat ze later bij Stercorarius is ondergebracht, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Stercorarius is Latijn voor 'van de mest' — jagers werden vroeger aangezien voor vogels die de uitwerpselen opaten van de zeevogels die ze achtervolgden, terwijl ze in werkelijkheid de opgebraakte vis pakken. skua komt uit het Faeröers, skúgvur, en is de enige Faeröerse vogelnaam die in andere talen in gewoon gebruik is geraakt. Als typelocatie noemde Brünnich de Faeröer en IJsland.

