Alle soorten › Steltloperachtigen › Jagers › Middelste jager
Middelste jager | Stercorarius pomarinus
Pomarine Jaeger | Págalo pomarino
De zwaarste van de drie jagers met verlengde staartpennen: breed van vleugel, dik van borst, en met een trage slag die eerder aan een meeuw doet denken dan aan een valk. Bij de volwassen vogel zijn de twee middelste staartpennen aan het uiteinde tot een stompe, gedraaide lepel verbreed. Hoeveel paren er broeden hangt volledig van de lemmingen af: in een goed lemmingjaar zit een stuk toendra vol, het jaar daarop broedt er geen paar.
Geluid
Op zee zwijgt hij vrijwel altijd; wie hem wil horen moet naar de broedgronden, of naar een groep die om dezelfde prooi ruziet. Boven het territorium klinkt een hard, nasaal wiek-wiek en een schorre, blaffende reeks jek-jek-jek, lager en ruwer dan het katachtige gejank van de kleine jager. Wordt het nest genaderd, dan gaat dat over in langgerekt geschreeuw terwijl de vogel laag over de indringer scheert en met de poten naar het hoofd slaat. In het winterkwartier hoor je hoogstens een korte, rauwe kreet wanneer twee vogels elkaar een meeuw betwisten.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een zware jager, ongeveer zo lang als een ringsnavelmeeuw maar veel forser gebouwd, met een brede borst, een dikke tweekleurige snavel en brede vleugels die aan de basis opvallend breed blijven; de slag is traag en meeuwachtig. De lichte vorm heeft een zwarte pet, gele wangen en een witte onderzijde, met bij de meeste vrouwtjes een volledige, donker gevlekte borstband en gebandeerde flanken; de donkere vorm is egaal roetbruin en komt bij een klein deel van de vogels voor. In de vleugel flitsen vijf tot acht witte veerschachten, en op de ondervleugel ligt daarnaast een tweede lichte vlek bij de basis van de handdekveren — een kenmerk dat de andere jagers niet zo tonen. De volwassen vogel draagt twee verlengde middelste staartpennen die aan het uiteinde verbreed en een kwartslag gedraaid zijn, zodat ze van opzij als een knop uitsteken en van achteren als een lepel. Jonge vogels zijn koel grijsbruin en dicht gebandeerd, met korte stompe staartpunten en een scherp afgetekende lichte snavelbasis. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk getekend; het vrouwtje is groter.
Verwarringssoorten
De kleine jager (Stercorarius parasiticus) is slanker en lichter, vliegt valkachtig en wendbaar en heeft spitse, niet verbrede middelste staartpennen. De kleinste jager (S. longicaudus) is nog slanker, kouder grijs van boven, mist de borstband en draagt zeer lange dunne staartlinten. De grote jager (S. skua) is even zwaar en tonvormig, maar egaal bruin, zonder pet en zonder verlengde staartpennen, en met nog grotere witte vleugelvlekken. Jonge vogels van alle vier lijken op elkaar: let op de zwaarte van de snavel, de brede vleugelbasis en de tweede lichte vlek onder de hand, en niet op de kleur. De grote mantelmeeuw wordt op afstand voor een jager aangezien, maar heeft een witte kop, een egaal zwarte bovenvleugel en een witte achterrand, en jaagt niet achter andere vogels aan.
Leefgebied
Broedt op vlakke, natte kusttoendra van het hoge noorden: zeggenvlakten, veenpolygonen en poelenland waar lemmingen zitten, meestal binnen enkele kilometers van zee en zelden hoger dan een paar tientallen meters boven zeeniveau. Buiten de broedtijd leeft hij volledig op zee, bij voorkeur boven de rand van het continentaal plat en in opwellingsgebieden, waar vis en visserijafval aan de oppervlakte komen. Op trek volgt hij de kustlijn op enkele kilometers afstand, en bij aanlandige storm komt hij tot in baaien, zeegaten en havenmonden. Het binnenland gebruikt hij niet, op de enkele vogel na die in het najaar over de Grote Meren trekt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt rond de hele pool; in Noord-Amerika van het noorden en westen van Alaska oostwaarts door de Northwest Territories en Nunavut tot op Baffineiland; langs de kusten van Groenland komt hij voor op doortrek. De trek gaat langs beide kusten zuidwaarts, met in het voorjaar een geconcentreerde stroom vlak langs de kust van Californië en Oregon en in het najaar een bredere doortrek op de Atlantische Oceaan. Het winterkwartier ligt in warme wateren — de Golf van Mexico, de Caraïbische Zee en beide oceanen tot ver voorbij de evenaar; die open zee is geen kaarteenheid en blijft dus ongekleurd. De aantallen op de broedplaats schommelen van jaar tot jaar met de lemmingstand, zodat een gebied dat in het ene jaar honderden paren telt in het volgende leeg kan zijn.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in april of mei op een landtong aan de westkust staan, of in oktober en november op een pier aan de oostkust met wind uit zee: dan trekken de middelste jagers het dichtst onder de kust door. Zoek de traagste en breedste vogel in het veld — hij oogt eerder als een jonge meeuw dan als een valk — en wacht tot hij draait, want de gedraaide staartlepels zijn alleen van opzij of van achteren te zien. Op een boottocht komt hij vaak achter het schip aan en blijft dan minutenlang in beeld; dat is de enige plek waar je de ondervleugel rustig kunt bekijken.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, maar slecht geteld: de schattingen van de wereldpopulatie lopen ver uiteen, omdat het broedgebied vrijwel onbewoond is en het aantal broedparen per jaar met de lemmingen meebeweegt. Voor Noord-Amerika ontbreekt een bruikbare trendreeks; wat er is komt van zeetrektellingen langs de kust, en die meten trek en geen aantallen. Het risico is indirect: verandert met de sneeuwbedekking het ritme waarin de lemmingjaren terugkeren, dan verandert daarmee het aantal jaren waarin er überhaupt gebroed wordt.
Wetenschappelijke naam
Stercorarius pomarinus | (Temminck, 1815)
Coenraad Jacob Temminck beschreef de soort in 1815 als Lestris pomarinus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Stercorarius werd in 1760 ingevoerd door Brisson, naar het Latijnse stercus 'mest': zeelieden meenden dat de vogel at wat zijn slachtoffers in de vlucht lieten vallen, terwijl het om uitgebraakte vis ging. De soortnaam is gevormd uit het Griekse pōma 'deksel' en rhis 'neus', naar het hoornen schildje dat de neusgaten aan de snavelbasis half bedekt; Temminck schreef pomarinus waar pomatorhinus bedoeld was, en die verkorte vorm is blijven staan. Als herkomst gaf hij de arctische streken van Europa op.




