Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Juan-Fernandezstormvogel
Juan-Fernandezstormvogel | Pterodroma externa
Juan Fernandez Petrel | Fardela de Juan Fernández
De juan-fernandezstormvogel is een grote, sterk gebouwde stormvogel die vrijwel zijn hele leven boven de open Grote Oceaan doorbrengt en nog maar op één plek ter wereld broedt: de bergruggen van Alejandro Selkirk, het meest afgelegen eiland van de Juan Fernández-archipel voor de kust van Chili. Buiten het broedseizoen trekt hij ver naar het noorden, tot in de wateren rond Hawaï, waar hij binnen dit gidsgebied het meest te zien is.
Geluid
Op de broedkolonie, hoog op de kale bergruggen van het eiland, klinkt een zuchtende fluittoon die soms wordt gevolgd door een schor geblaf of een kort wok, en daarnaast een dreunend, herhaald boe-boe-boe. Zoals bij de meeste verwanten is dat geluid gebonden aan de kolonie; in de wateren rond Hawaï, waar de soort niet broedt, wordt hij alleen zwijgend gezien.
Opname: David Boyle — CC BY-NC-SA 4.0 · Rangatira (below the summit), Chatham Islands, New Zealand, New Zealand · xeno-canto
Herkenning
Van boven is de juan-fernandezstormvogel donker bruingrijs, met een zwarte 'M'-tekening over de uitgestrekte vleugels. De onderdelen zijn wit, met een zwarte rand aan de ondervleugel en een kleine, wisselend ontwikkelde zwarte vlek bij de vleugelknik die niet tot het midden van de vleugel reikt. Het gezicht is wit met een zwarte kap die doorloopt tot onder het oog, zonder een lichte halsband; de snavel is zwart en stevig gehaakt, de poten geel met donkerbruine punten. Mannetje, vrouwtje en jong zijn gelijk gekleurd, en het is met zijn ruim veertig centimeter een van de grotere stormvogels van zijn geslacht.
Verwarringssoorten
Met de kermadec-witnekstormvogel (Pterodroma cervicalis), die in dezelfde wateren wordt gezien en er sterk op lijkt, wordt hij het vaakst verward: die soort heeft een duidelijke witte band over de achterhals die de zwarte kap van de rug scheidt, een kenmerk dat de juan-fernandezstormvogel volledig mist. Comités die zeldzame waarnemingen beoordelen, wijzen er dan ook op dat de twee soorten, zeker in versleten verenkleed, alleen op goede foto's met zekerheid te scheiden zijn. Van de veel egalere murphy-stormvogel (P. ultima), die geheel grijsbruin is zonder wit op de onderdelen, is de juan-fernandezstormvogel door zijn witte buik in elke conditie meteen te onderscheiden.
Leefgebied
Voor het broeden zoekt de juan-fernandezstormvogel kale, winderige bergruggen boven de zevenhonderdvijftig meter, waar hij een twee tot drie meter lange tunnel graaft. De rest van het jaar leeft hij volledig op zee, waar hij foerageert in de convergentiezones tussen equatoriale stromingen en tegenstromingen, ver van elke kust. Land binnen dit gidsgebied gebruikt de soort nooit; ook langs de Amerikaanse kust zelf komt hij niet voor.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
De soort broedt uitsluitend op Alejandro Selkirk, het buitenste eiland van de Juan Fernández-groep voor Chili. Na het broedseizoen, dat in mei eindigt met het uitvliegen van de jongen, trekken de vogels noordwaarts naar de tropische en subtropische Grote Oceaan tot in de wateren rond Hawaï, waar ze van april tot oktober vrij algemeen zijn, vooral ten zuidoosten van de eilanden en met de grootste aantallen op driehonderd kilometer afstand van Hawaï-eiland. In het noordwesten van de Hawaï-archipel, buiten de bewoonde eilanden, is hij daarentegen zeldzaam. Een enkele vogel is na de resten van een orkaan zelfs diep landinwaarts terechtgekomen, tot in Arizona toe.
Waar en wanneer kijken
De beste kans binnen dit gebied is een pelagische boottocht voor de westkust van Hawaï-eiland tussen april en oktober; let op de combinatie van de forse bouw, de witte onderdelen zonder halsband en de zwarte kap die doorloopt tot onder het oog.
Staat van instandhouding
De soort geldt als kwetsbaar (VU) omdat de hele wereldpopulatie op één eiland broedt. Verwilderde katten en ratten doden eieren, kuikens en broedende volwassenen, en geïntroduceerde geiten hebben delen van de broedhabitat door overbegrazing aangetast. De kolonie wordt op ongeveer een miljoen broedparen geschat, maar het ontbreken van een tweede broedplaats maakt de soort kwetsbaar voor een enkele ramp of een nieuwe introductie van roofdieren.
Wetenschappelijke naam
Pterodroma externa | (Salvin, 1875)
De Britse ornitholoog Osbert Salvin beschreef de soort in 1875 als Oestrelata externa; omdat ze sindsdien in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pterodroma werd in 1856 ingevoerd door Bonaparte, uit het Grieks voor 'vleugel' en 'loper'. externa is Latijn voor 'van buiten, uitheems' en verwijst naar Alejandro Selkirk, dat in het Spaans lange tijd Más Afuera heette — letterlijk 'meer naar buiten' — als het verst afgelegen eiland van de Juan Fernández-groep. De typelocatie omvat dan ook beide eilanden van die groep, Más Afuera en Juan Fernández zelf.
