Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Zwartvleugelstormvogel
Zwartvleugelstormvogel | Pterodroma nigripennis
Black-winged Petrel | Petrel ala negra
De zwartvleugelstormvogel is een van de talrijkste kleine stormvogels van de tropische Grote Oceaan en, dankzij regelmatige tochten vanaf Hawaii, een van de meest betrouwbaar te vinden Pterodroma-soorten binnen dit kaartvenster. Hij broedt op tientallen eilandengroepen tussen Australië en Frans-Polynesië, maar altijd ver buiten de kaart, en verschijnt in de Amerikaanse wateren uitsluitend als niet-broedende zwerver.
Geluid
Op de broedkolonie klinken hoge fluittonen — wies-wies-wies of wie-wie-wie — afgewisseld met een dieper, kort ha-ha-ha vanaf de grond, meestal 's nachts wanneer de vogels de kolonie in- en uitvliegen. Rond Hawaii, waar de soort niet broedt maar wel het grootste deel van het jaar aanwezig is, wordt hij alleen overdag en zwijgend vanaf een boot waargenomen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
De zwartvleugelstormvogel is van boven asgrijs met een donkere kap die vaag overloopt in de grijze rug, witte wangen en een donkere band rond de achterhals. De ondervleugel is wit met een brede, donkere baan die diagonaal vanaf de voorrand van de buitenvleugel naar binnen loopt — het kenmerk dat de Engelse en Nederlandse naam verklaart. Vleugelpunten en vleugelrand zijn zwart, de staart toont een zwart-witte banding. Mannetje, vrouwtje en jong zijn gelijk gekleurd. De vlucht is snel en licht, met hoge, buitelende zwenkingen typisch voor kleinere stormvogels van dit geslacht.
Verwarringssoorten
De boninstormvogel (Pterodroma hypoleuca), van vergelijkbare grootte en eveneens algemeen rond Hawaii, heeft juist een scherp afgetekende zwarte kap in plaats van een vage grijze, mist de donkere achterhalsband en heeft roze in plaats van zwarte poten. De cook-stormvogel (P. cookii), die in kleiner aantal dezelfde wateren bezoekt, is bleker met een smallere, minder opvallende ondervleugeltekening en een dunnere snavel. Van de grotere, egaal grijsbruine murphy-stormvogel (P. ultima), die zonder wit op de onderdelen is, is de zwartvleugelstormvogel door zijn witte buik meteen te onderscheiden.
Leefgebied
Buiten het broedseizoen is de zwartvleugelstormvogel een vogel van diep, warm oceaanwater, waar hij solitair of in kleine groepjes ver van de kust foerageert op inktvis en kleine vis. Voor het broeden graaft hij een tunnel in de zandige bodem van grazige hellingen op subtropische eilanden; die habitat ligt overal buiten dit kaartvenster. Binnen Noord-Amerika komt de soort dan ook nooit aan land.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
De soort broedt op tientallen eilanden verspreid van Lord Howe-eiland en het oosten van Australië tot Nieuw-Caledonië, Nieuw-Zeeland — met Kermadec-, Three Kings- en Chathameilanden — en oostwaarts tot de Australeilanden in Frans-Polynesië; de grootste kolonie ter wereld zit op Macauley-eiland in de Kermadecgroep. Na het broedseizoen, van mei tot december, verspreidt de soort zich noordwaarts tot in een brede band tussen Peru en Hawaii. In de wateren rond de Hawaii-eilanden is hij een van de talrijkste bezoekende stormvogels van het geslacht Pterodroma, met een piek van augustus tot november, terwijl hij daar zelf niet broedt.
- Doortrek
Waar en wanneer kijken
Zoek de zwartvleugelstormvogel op een pelagische boottocht vanuit Hawaii tussen augustus en november, wanneer hij er algemeen is; let op de combinatie van de brede, diagonale zwarte baan op de ondervleugel en de vage grijze kap, die hem van de vergelijkbare boninstormvogel onderscheidt.
Staat van instandhouding
De wereldpopulatie wordt op acht tot tien miljoen vogels geschat en de soort geldt niet als bedreigd. Op de bewoonde Hawaii-eilanden spoelen elk jaar wel enkele vogels, vooral jonge, verdwaasd of uitgeput aan, aangetrokken door kunstlicht van gebouwen; op de broedeilanden zelf vormen geïntroduceerde ratten en verwilderde katten de belangrijkste bedreiging.
Wetenschappelijke naam
Pterodroma nigripennis | (Rothschild, 1893)
De Britse zoöloog Walter Rothschild beschreef de soort in 1893 als Oestrelata nigripennis; omdat ze sindsdien in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pterodroma werd in 1856 ingevoerd door Bonaparte, uit het Grieks voor 'vleugel' en 'loper'. nigripennis is Latijn voor 'zwartvleugelig', naar de zwarte buitenvleugel en vleugelrand — het kenmerk dat ook de Nederlandse naam gaf. De typelocatie is de Kermadeceilanden, waar met Macauley-eiland ook de grootste kolonie ter wereld ligt.
