Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Kleine burgemeester
Kleine burgemeester | Larus glaucoides
Iceland Gull | Gaviota polar
De kleine burgemeester is de slanke tegenhanger van de grote burgemeester: een middelgrote meeuw met een rond kopje, een korte snavel en zulke lange vleugels dat de punten in zit ver voorbij de staart steken. Hij broedt op de zeekliffen van Groenland en de Canadese Arctis, en overwintert langs beide kusten van het werelddeel. Sinds 2017 vallen onder deze ene naam drie vormen samen die vroeger apart werden gehouden — van vogels met sneeuwwitte vleugelpunten tot vogels met bijna zwarte.
Geluid
Bij de kolonie klinkt vooral een herhaald, tweedelig kie-ja, dat als alarm werkt en een heel kliffront tegelijk kan doen opvliegen. De lange roep heeft dezelfde vorm als die van de Amerikaanse zilvermeeuw maar is duidelijk schriller en dunner, alsof dezelfde vogel een maat kleiner is uitgevallen. Daarnaast korte blaffende en mauwende tonen bij het opvliegen en bij het neerstrijken op de nestrichel. In de winterkwartieren is hij meestal stil: in een krijsende meeuwengroep op een havenhoofd is hij vaak juist de vogel die zwijgt.
Opname: Frank Roos — CC BY-NC-SA 4.0 · Amsterdam, Amsterdam, Noord-Holland, Netherlands · xeno-canto
Herkenning
Middelgroot en zacht van uitdrukking, met een rond kopje, een klein oog en een korte, betrekkelijk dunne snavel; in zit steken de vleugelpunten ver voorbij de staart, vaak meer dan een snavellengte, waardoor de vogel achterlangs spits en licht oogt. Volwassen vogels hebben een lichtgrijze mantel, roze poten en een gele snavel met een rode vlek, en in de winter een fijn bruin gestreepte kop. De vleugelpunt verschilt per vorm: de Groenlandse vogels hebben zuiver witte punten zonder enig zwart, de vogels van Baffineiland een variabele grijze tekening, en de westelijke vorm een donkergrijze tot vrijwel zwarte punt met witte spiegels. Jonge vogels zijn licht koffiebruin tot bijna roomkleurig met fijne vlekking, met een overwegend donkere snavel en een bleke binnenhand die in vlucht van onderen oplicht. Het volwassen kleed komt in het vierde jaar.
Verwarringssoorten
De grote burgemeester (Larus hyperboreus) heeft ook een witte vleugelpunt, maar is veel groter en zwaarder, met een grote snavel die bij jonge vogels roze is met een strak afgetekende zwarte punt, en met vleugels die nauwelijks voorbij de staart reiken. De beringmeeuw (Larus glaucescens) is forser en heeft grijze, niet witte punten en een donker oog. De Amerikaanse zilvermeeuw (Larus smithsonianus) is zwaarder gebouwd, heeft een dikkere snavel met een duidelijke hoek en zwarte vleugelpunten met veel contrast, en jonge vogels zijn donkerder en grover getekend. Verwarring treedt vooral op bij de westelijke vogels met een donkere punt: die worden geregeld voor Amerikaanse zilvermeeuw aangezien, en het verschil zit niet in de kleur maar in de kleinere en rondere kop, de dunnere snavel, de langere vleugeluiteinden en de van onderen overwegend lichte hand.
Meeuwen vergelijken: poten, kop, snavel en vleugelpunt naast elkaar
Leefgebied
Broedt in kolonies van vijftig tot honderd paren op smalle richels van steile zeekliffen, die honderden meters hoog kunnen zijn en soms tientallen kilometers landinwaarts in een fjord liggen. Buiten de broedtijd is hij een vogel van de kustlijn: havens, visserijkades, riviermondingen en het water vlak voor de kust, waar hij laag en licht overheen vliegt en voedsel van het oppervlak plukt zonder te landen. Verder zuidwaarts hoort hij bij vuilstortplaatsen, rioolwaterlozingen en de open plekken in het ijs van de Grote Meren. Akkers en weilanden bezoekt hij alleen als er iets te halen valt; open oceaan ver uit de kust mijdt hij.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt op West- en Oost-Groenland en op de Canadese arctische eilanden; de vorm met de donkere vleugelpunt broedt in het westelijke deel daarvan, van Baffineiland westwaarts tot Banks- en Victoria-eiland. In de winter valt het areaal in tweeën uiteen: de oostelijke vogels trekken naar IJsland, de Britse eilanden, Newfoundland en de kust van New England, de westelijke vogels naar de Grote Meren, het binnenland van het westen en de Pacifische kust van Zuid-Alaska tot Neder-Californië. In Zuidwest-Groenland blijft een deel het hele jaar, zolang de fjorden open water houden. Ondanks de Engelse naam broedt hij niet op IJsland: hij is daar alleen wintergast.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in januari en februari op een havenhoofd, een visserijkade of een vuilstort naar een meeuw die kleiner en zachter oogt dan de Amerikaanse zilvermeeuwen om hem heen, met een duifachtig rond kopje en een lang, spits achterlijf. Ga daarna pas naar de vleugelpunt kijken: bij deze soort mag die alles zijn van sneeuwwit tot bijna zwart, dus bouw de determinatie op bouw en verhoudingen en niet op kleur. Vogels waarvan de vleugelpunt precies tussen de vormen in valt, worden ook door ervaren tellers niet verder benoemd dan 'kleine burgemeester'.
Staat van instandhouding
De wereldpopulatie wordt op ongeveer tweehonderdtwintigduizend vogels geschat en de soort geldt als niet bedreigd (LC). Omdat hij zijn voedsel van het wateroppervlak pakt, is hij gevoelig voor olie op zee — een enkele lozing in een overwinteringsgebied raakt meteen veel vogels. Vroeger werden kolonies in Groenland zwaar bejaagd op eieren en vlees; de meeste liggen inmiddels zo afgelegen dat rust het grootste deel van de bescherming doet. Op de wintergronden verdwijnen de open vuilstortplaatsen die hem daar aan voedsel hielpen.
Wetenschappelijke naam
Larus glaucoides | Meyer, 1822
De Duitse arts en vogelkundige Bernhard Meyer beschreef de soort in 1822 als Larus glaucoides; ze staat nog altijd in hetzelfde geslacht, en daarom staan auteur en jaartal zonder haakjes. Larus is de Latijnse vorm van het Griekse laros, bij de klassieke schrijvers een niet nader bepaalde zeevogel. glaucoides betekent 'lijkend op glaucus', de oude wetenschappelijke naam van de grote burgemeester — dus letterlijk: de meeuw die op de burgemeester lijkt. Voor deze naam is geen typelocatie vastgelegd. De Nederlandse naam maakt dezelfde vergelijking, en de Engelse verwijst naar IJsland, waar hij alleen overwintert.




