Alle soortenSteltloperachtigenMeeuwen, sterns en schaarbekken › Kamtsjatkameeuw

Kamtsjatkameeuw | Larus schistisagus

Slaty-backed Gull | Gaviota de Kamchatka

De kamtsjatkameeuw is de donkerrugmeeuw van de noordwestelijke Grote Oceaan: een zware, kortvleugelige vogel met een leigrijze mantel, felroze poten en een brede witte rand langs de achterkant van de vleugel. Voor Noord-Amerika is hij een gast uit Azië — in het westen van Alaska elk jaar in kleine aantallen, elders in het werelddeel een zeldzaamheid die tot in Texas en New England is opgedoken.

Kamtsjatkameeuw (Larus schistisagus)
Foto: nachans — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De lange roep duurt vijf seconden of meer: één lang uitgehaalde inleidende toon, gevolgd door een reeks kortere kreten, gegeven met de kop eerst laag en dan steil omhoog. Daarnaast klinkt een jankende toon van een tot twee seconden die eerst stijgt en dan weer iets zakt, en korte reeksen van drie of vier lachende noten. Bij opvliegen en bij onraad volgt een kort, dalend kaup. Jonge vogels bedelen met een hoog, ietwat rietachtig gefluit dat duidelijk afwijkt van alles wat de oude vogels laten horen.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een grote, gedrongen meeuw met een diepe borst, een zware snavel en opvallend korte vleugels, die in zit nauwelijks voorbij de staart reiken. De volwassen vogel heeft een donker leigrijze mantel — donkerder dan die van welke andere meeuw van de noordelijke Grote Oceaan ook — een gele snavel met rode vlek, een geel oog in een purperroze tot dieproze oogring, en felroze poten. De vleugelpunt is zwart, maar tussen het grijs van de arm en het zwart van de punt loopt een rij witte halvemaantjes over de handpennen: het 'parelsnoer', dat in vlucht van boven en van onderen te zien is, en de witte achterrand van de vleugel is opvallend breed. In winterkleed is de kop zwaar bruin gevlekt tot ver in de hals. Jonge vogels zijn egaal bruin en bleker dan een jonge grote mantelmeeuw, met een donker masker om het oog; het grijs op de rug komt in het tweede jaar, het volwassen kleed in het vierde.

Verwarrings­soorten

De vegameeuw (Larus vegae) en de amerikaanse zilvermeeuw (Larus smithsonianus) delen met hem het gebied maar hebben een veel lichtere, blauwgrijze mantel en missen het parelsnoer. De kleine mantelmeeuw (Larus fuscus) is even donker van boven maar veel slanker, met een smalle snavel, lange vleugels en gele in plaats van roze poten. Aan de westkust van de Verenigde Staten is de valkuil de californische meeuw (Larus occidentalis), eveneens donker van mantel, maar met een zwaardere snavel, zonder parelsnoer en met een smallere witte achterrand. Het lastigst zijn de kruisingen: nakomelingen van de amerikaanse zilvermeeuw en de beringmeeuw (Larus glaucescens) kunnen zo donker uitvallen dat ze deze soort naspelen, en die zijn in het veld beter niet op naam te brengen.

Leefgebied

Een kustvogel door en door: hij broedt op zeekliffen, rotseilandjes en lage kusteilanden, en zoekt zijn voedsel op stranden, wadplaten, in riviermondingen en vooral in vissershavens en bij visverwerkingsbedrijven. Waar zalm de rivieren optrekt, volgt hij het water tot ver landinwaarts. In het Russische Verre Oosten en in Japan broedt hij ook op de platte daken van havensteden, midden tussen de kranen en de loodsen. Open oceaan ver uit de kust gebruikt hij nauwelijks; hij blijft waar de bodem ondiep is en waar mensen vis aan land brengen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt langs de kusten en aan de meren van Noordoost-Siberië, van de Beringzee en Kamtsjatka zuidwaarts over de Koerilen tot Hokkaido en noordelijk Honshu, en overwintert langs Japan, Korea, de Bohai-zee en tot Taiwan. Naar Noord-Amerika komt hij als gast: in westelijk Alaska — de Beringzee-eilanden, de kust bij Nome, de Aleoeten — is hij jaarlijks in kleine aantallen te vinden, vooral in de zomer. Verder oostwaarts en zuidwaarts is hij een uitgesproken zwerver, met waarnemingen tot in Californië, aan de Grote Meren, in Texas, in New England en op Newfoundland, en zelfs enkele in Europa. Het aantal meldingen buiten Azië is de laatste decennia sterk toegenomen; dat wordt vooral toegeschreven aan betere kennis van het kleed onder tellers.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Wie hem in Noord-Amerika op eigen kracht wil vinden, staat in juni tussen de meeuwen bij de riviermonding of de visverwerking van Nome, of op een van de Beringzee-eilanden. Kijk eerst naar de mantel: donkerder dan alles eromheen, ook in vlakke bewolking. Bevestig daarna met twee kenmerken tegelijk — het parelsnoer op de uitgespreide vleugel en de brede witte achterrand — want die twee samen sluiten een donkere kruising uit.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie wordt op ongeveer driehonderdveertigduizend vogels geschat en de soort geldt als niet bedreigd; de trend is niet goed bekend. Hij hoort bij de soorten die van de mens profiteren: visserij, visverwerking en vuilstortplaatsen leveren voedsel, en havensteden leveren nestplaatsen op daken waar vossen niet komen. In een deel van het broedgebied wordt hij daarom als overlast gezien, terwijl hij tegelijk in enkele zeevogelkolonies zelf een gevreesde eier- en jongenrover is.

Wetenschappelijke naam

Larus schistisagus | Stejneger, 1884

De Noors-Amerikaanse vogelkundige Leonhard Stejneger beschreef de soort in 1884 als Larus schistisagus, naar vogels die hij zelf in de Beringzee verzamelde; ze staat nog altijd in hetzelfde geslacht, en daarom staan auteur en jaartal zonder haakjes. Larus is de Latijnse vorm van het Griekse laros, bij de klassieke schrijvers een niet nader bepaalde zeevogel. schistisagus is samengesteld uit nieuwlatijn schistus, 'lei', en Latijn sagum, 'mantel' of 'krijgsmantel' — de leigrijze mantel die de soort haar naam gaf. De typelocatie is Beringeiland in de Commandeurseilanden, voor de kust van Kamtsjatka.