Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Amerikaanse zilvermeeuw
Amerikaanse zilvermeeuw | Larus smithsonianus
American Herring Gull | Gaviota argéntea americana
De Amerikaanse zilvermeeuw is de meeuw die de meeste Noord-Amerikanen bedoelen als ze 'zeemeeuw' zeggen: lichtgrijs van rug, roze van poot, en overal waar water en afval samenkomen. Hij broedt van Alaska tot Newfoundland en overwintert van de Aleoeten tot Mexico en de noordelijke Caraïben. En toch is hij in ruim vijftig jaar met ongeveer tachtig procent achteruitgegaan.
Geluid
Het luidruchtigste geluid van elke haven: de lange roep, een reeks luide, bugelende kliejoe-kreten die hij met de kop eerst laag en dan ver achterover uitstoot, en die van de ene vogel op de andere overslaat. Daarnaast een snel lachend ha-ha-ha als antwoord op een soortgenoot, een luid kièuw als alarm, en een zacht mauwend geluid waarmee hij de aandacht van partner of jong trekt. Jonge vogels bedelen met een aanhoudend, klaaglijk piepen dat de hele zomer boven een kolonie hangt. Wie op een kade staat hoort de hele reeks binnen een minuut.
Opname: Valerie Heemstra — CC BY-NC-SA 4.0 · Wells Township (near Wells), Delta County, Michigan, United States · xeno-canto
Herkenning
Een grote meeuw met een lichtgrijze mantel, een witte kop en witte onderdelen, en poten die op elke leeftijd dofroze zijn. De snavel is groot maar betrekkelijk slank, geel met een rode vlek op de ondersnavel; het oog is bleekgeel met een gele tot oranje oogring, wat de blik hard en strak maakt. De vleugelpunt is zwart met maar kleine witte spiegels. In winterkleed lopen kop en vooral nek zwaar bruin gestreept aan. Het duurt vier jaar tot het volwassen kleed: eerstejaars vogels zijn grijsbruin met een donkere staart en een zwarte snavel, tweedejaars vogels krijgen een bleek oog en een snavel met zwarte punt, en derdejaars vogels lijken al op de ouders maar houden een zwarte staartband.
Verwarringssoorten
De ringsnavelmeeuw (Larus delawarensis) is duidelijk kleiner, heeft gele poten en een scherpe zwarte ring om een dunne snavel. De prairiemeeuw (Larus californicus) is iets kleiner en donkerder grijs, met groengele poten, een donker oog en zowel een zwarte als een rode vlek op de snavel. De kleine burgemeester (Larus glaucoides) is bleker, kleiner van snavel en heeft een vleugelpunt zonder zwart of met alleen een grijze schaduw. De vegameeuw (Larus vegae) van de Beringzee heeft een donkerder grijze mantel, dieper roze poten en meestal een donkerder oog. Bij eerstejaars vogels is de gelijkenis met de ringsnavelmeeuw het grootst: die is lichter en grijzer van voorkomen met een scherp afgetekende staartband, waar de jonge Amerikaanse zilvermeeuw egaal donkerbruin is met een geheel donkere staart.
Meeuwen vergelijken: poten, kop, snavel en vleugelpunt naast elkaar
Leefgebied
Kusten, riviermondingen, wadplaten en havens, maar even goed grote binnenmeren, stuwmeren, rivieren, geploegde akkers en vuilstorten. Broedt in kolonies op eilanden, kwelders en zandbanken die voor grondroofdieren onbereikbaar zijn, en in steden op platte daken. Op trek en in de winter volgt hij het open water: waar een rivier onder een stuwdam niet dichtvriest staat hij, en waar een vissershaven de netten uitlaadt ook. Gesloten bos en droge woestijn zijn de enige landschappen waarin hij ontbreekt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt van het noorden en westen van Alaska oostwaarts door subarctisch Canada tot Baffineiland en Newfoundland, en zuidwaarts tot in het noordoosten van de Verenigde Staten, de Grote Meren en langs de Atlantische kust tot North Carolina; aan de Pacifische kant komt hij als broedvogel niet verder dan het zuiden van Brits-Columbia. In de winter verschuift het beeld ver naar het zuiden: van de Aleoeten langs de westkust tot Nayarit, langs de hele Golfkust, en landinwaarts tot Honduras en de noordelijke Caraïben. Aan het eind van de negentiende eeuw was hij aan de Atlantische kust bijna weggejaagd voor veren en eieren; van de jaren dertig tot de jaren zestig groeide hij snel, om daarna weer te dalen. Waar vuilstorten dichtgingen en de visserij minder overboord zette, zakten de aantallen het hardst.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop in november langs een haven of een stuwmeer met een grote meeuwengroep en neem de vogels op leeftijd door: het is de beste manier om de vier kleden van deze soort in één ochtend te leren kennen, en pas als die vertrouwd zijn wordt elke andere grote meeuw zichtbaar. Let daarbij op de poten — dofroze op elke leeftijd — want dat is het enige kenmerk dat bij deze soort niet met de jaren verandert.
Staat van instandhouding
Nog altijd een van de talrijkste grote meeuwen van het werelddeel, maar de trend is somber: tussen 1966 en 2021 nam het aantal met ongeveer drie procent per jaar af, samen ruim tachtig procent. De soort staat op de lijst 'gewone vogels in sterke achteruitgang' (Common Birds in Steep Decline). Larus smithsonianus heeft nog geen eigen Rode Lijst-categorie, want als afgesplitste soort is hij nog niet apart geëvalueerd. Overbevissing, gesloten vuilstorten, olievervuiling en het actief beperken van kolonies bij luchthavens en sternkolonies spelen alle mee.
Wetenschappelijke naam
Larus smithsonianus | Coues, 1862
Elliott Coues beschreef de vogel in 1862 als Larus Smithsonianus; in de negentiende eeuw werd een soortnaam die naar een persoon of een instelling verwees nog met een hoofdletter geschreven. Auteur en jaartal staan zonder haakjes, want het geslacht is nooit veranderd. De naam eert de Smithsonian Institution in Washington, en daarmee de Engelse scheikundige James Smithson, uit wiens nalatenschap zij is gesticht. De typelocatie is ruim opgegeven — de oost- en westkust van Noord-Amerika — en lang gold de vogel als ondersoort van de Europese zilvermeeuw (Larus argentatus); tegenwoordig geldt hij als eigen soort.




